Belanghebbende, een productie- en transportbedrijf van diervoeders, kreeg aanslagen zuiveringsheffing opgelegd voor 2016 en 2017 op basis van geschatte vervuilingswaarden. De heffingsambtenaar stelde vast dat bedrijfsafvalwater met een hogere vervuilingswaarde werd geloosd dan forfaitair was aangenomen, mede op basis van controlemetingen en monstername.
Belanghebbende voerde aan dat zij ten onrechte niet is gehoord en dat de schatting niet representatief is, mede vanwege metingen uit een strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen hoorplichtschending kan inroepen omdat zij niet expliciet om een hoorzitting heeft verzocht. De schatting van de vervuilingswaarde is gegrond omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de meet- en analyseverplichtingen.
Ook is geen toepassing van de tabel afvalwatercoëfficiënten mogelijk omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden onder de drempel ligt of dat de tabel een hogere uitkomst geeft. De rechtbank wijst de beroepen af, kent een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat in proceskosten en griffierecht.