Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Feiten
2.Bestreden besluiten
In het besluit van 17 juli 2020 is geen beslissing genomen over de kwijtschelding van de lening. De minister kan daarom niet inhoudelijk ingaan op het bezwaar van eiser.
3.Standpunt van eiser
20 augustus 2019 te laat heeft ingediend. Dit kwam omdat hij niet wist wat hij moest doen. Het was in die periode erg druk voor hem. Zo volgde hij cursussen Nederlandse taal en Nederlandse maatschappij. Ook was hij actief met het zoeken naar woonruimte en stroomde hij in op een HBO studie. Verder was sprake van ziekte en stress en had hij moeite om zich opnieuw in te schrijven voor examens vanwege problemen op de DUO website.
4.Standpunt van de minister
5.Wettelijk kader
6.Beoordeling door de rechtbank
Wet inburgering in de beschikking van 20 augustus 2019, na het verstrijken van de initiële inburgeringstermijn, een nieuwe termijn van maximaal twee jaar gegeven waarbinnen eiser alsnog zijn inburgeringsexamen moest halen. Dit heeft in deze zaak tot gevolg gehad dat de inburgeringstermijn is verlengd tot 22 juni 2021. Dat de inburgeringstermijn volgens artikel 32 van Pro de Wet inburgering is verlengd, neemt niet weg dat eiser de oorspronkelijke inburgeringstermijn heeft overschreden. Dit had voor eiser duidelijk moeten zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser verschillende brieven heeft gekregen over de gegevens die bij hem over de inburgeringsplicht staan geregistreerd. Hierbij is iedere keer 22 juni 2019 als gestelde einddatum genoemd. In de brief van 25 juni 2019 met als onderwerp ‘vooraankondiging termijnoverschrijding’ heeft DUO aan eiser medegedeeld dat hij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en dat hij een boete zal krijgen. Ook is daarin vermeld dat hij voorlopig twee jaar extra de tijd zal krijgen om in te burgeren.
Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van een besluit voor een belanghebbende niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat betekent dat het belang van handhaving van de voorwaarde dat binnen een termijn van drie jaar het inburgeringsexamen is gehaald, moet worden afgewogen tegen de financiële gevolgen van algehele terugvordering van de lening voor eiser. [3] Hierbij dienen alle omstandigheden te worden meegewogen. Daarbij zijn tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan eiser kan worden verweten van belang.
- verklaart het beroep 21/2224 ongegrond;
- verklaart het beroep 21/2223 gegrond en vernietigt bestreden besluit II voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2020 niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het beroep 21/2223 ongegrond voor het overige;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit II in stand blijven;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden