Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2013 tot en met 2015. De inspecteur baseerde de aanslagen mede op een door de politie opgesteld rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel, dat contante betalingen aan een administratiekantoor betrof waarmee gefingeerde arbeidsovereenkomsten waren gesloten.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de bewijslast had om aan te tonen dat belanghebbende niet de vereiste aangiften had gedaan, omdat het aangegeven inkomen aanzienlijk lager was dan het werkelijke inkomen dat uit het rapport en het uitgavenpatroon bleek. Belanghebbende voerde aan dat het rapport niet volledig was en dat hij leefde onder de Nibud-normen, maar deze stellingen waren onvoldoende om het verzwaarde tegenbewijs te leveren.
De rechtbank achtte de schatting van de inspecteur redelijk en verwierp de beroepen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers op 25 januari 2022 te Breda.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw worden ongegrond verklaard en de aanslagen bevestigd.