Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een beroep van belanghebbende tegen de aanslag erfbelasting opgelegd naar aanleiding van de verkrijging uit de nalatenschap van haar overleden vader in 2017. De nalatenschap omvatte onder meer de helft van een contant geldbedrag van €90.000, waarvan de erfgenamen verdeeld waren over de toerekening.
Belanghebbende stelde dat het contante geld door haar zussen was vervreemd en dat dit niet tot de nalatenschap behoorde, terwijl de inspecteur de aanslag had gebaseerd op de volledige helft van dit bedrag. De vereffenaars hadden een gecorrigeerde rekening en verantwoording opgesteld waarin het contante geld niet was opgenomen, maar deze werd door de kantonrechter vernietigd vanwege verzet van enkele erfgenamen.
Tijdens de procedure erkenden partijen dat het contante geld tot het vermogen van de erflater behoorde, maar waren zij verdeeld over de vraag wie welk deel daarvan daadwerkelijk zou ontvangen. De inspecteur stelde dat een vordering ter grootte van de helft van het contante geld tot de nalatenschap behoort en dat een verzoek tot vermindering van de aanslag mogelijk is als die vordering later zou komen te vervallen.
Gelet op deze stand van zaken verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, omdat de aanslag erfbelasting niet te hoog was vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.