ECLI:NL:RBZWB:2022:3030

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
BRE-21_5067
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht en afgewezen betalingsonmacht

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting 2016 en een opgelegde verzuimboete. Voor behandeling van het beroep is griffierecht van €360,00 verschuldigd, waar belanghebbende niet aan heeft voldaan.

De griffier heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk en aangetekend gewezen op de verplichting tot betaling en heeft ook een beroep op betalingsonmacht onderzocht. Dit beroep is afgewezen omdat belanghebbende geen voldoende bewijs heeft geleverd van het ontbreken van financiële middelen, noch van de aandeelhouders of bestuurders.

De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen sprake van omstandigheden die het verzuim rechtvaardigen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier P. van der Hoeven op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en afgewezen beroep op betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 21/5067

uitspraak van 3 juni 2022
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats],

belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Motivering

Belanghebbende heeft bij de inspecteur een beroepschrift ingediend betreffende de ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting 2016 met aanslagnummer [aanslagnummer] en de bij beschikking opgelegde verzuimboete. De inspecteur heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank omdat de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Voor het beroep is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 360,00. De griffier heeft belanghebbende daarover schriftelijk geïnformeerd.
De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 24 december 2021 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
In verband met het beroep op betalingsonmacht heeft de griffier bij brief van 7 januari 2022 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de betalingsonmacht te onderbouwen zowel van belanghebbende zelf als voor iedere bestuurder en aandeelhouder afzonderlijk. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 11 januari 2022 nogmaals naar het opgegeven adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken. Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2022 informatie verstrekt. De griffier heeft vervolgens het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
De griffier heeft belanghebbende in een aangetekende brief van 25 februari 2022 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Deze brief is aangetekend verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres. Daarop is de brief op 8 maart 2022 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post.
Op 18 maart 2022 wordt de brief van 8 maart 2022 retour ontvangen met op de achterkant van de brief de opmerking: “Wij hebben geen contract met u!! Vieze podagonisten v.d. maffiastaat Bv Nederland U. zij Gegroet!! 8.8.”
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Hier is niet gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Opmerking verdient daarbij dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. De rechtbank volgt de lijn van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat rechtspersonen eveneens een beroep kunnen doen op betalingsonmacht [1] . Bij de beoordeling of een rechtspersoon met succes een beroep kan doen op betalingsonmacht, moet niet alleen worden beoordeeld of de rechtspersoon inkomen of vermogen heeft waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden voldaan, maar ook of de aandeelhouders en/of bestuurders van de rechtspersoon in staat moeten kunnen worden geacht de financiële middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen [2] . Op basis van de door belanghebbende ingebrachte gegevens kan niet worden vastgesteld dat sprake is van betalingsonmacht. Belanghebbende heeft namelijk geen gegevens van bankrekeningen, inkomen (of de winst) en het vermogen van de rechtspersoon ingebracht, hoewel de griffier daar in de brief wel expliciet om had gevraagd.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 3 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

2.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:706 en Hoge Raad 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2020.