Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2017 en de daarbij opgelegde boete. De rechtbank ontving het beroepschrift, maar stelde vast dat het griffierecht van €360 niet was betaald. Ondanks meerdere aangetekende en gewone postherinneringen bleef betaling uit. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht, maar kon dit niet onderbouwen met relevante financiële gegevens van de rechtspersoon of haar bestuurders en aandeelhouders.
De griffier wees het beroep op betalingsonmacht af en de rechtbank volgde dit oordeel. De rechtbank overwoog dat niet alleen het vermogen van de rechtspersoon, maar ook dat van bestuurders en aandeelhouders relevant is bij de beoordeling van betalingsonmacht. Omdat belanghebbende geen bewijs leverde van daadwerkelijke betalingsonmacht, werd het beroep als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank wees ook de klacht over het vooraf heffen van griffierecht af, aangezien dit in overeenstemming is met de wet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 3 juni 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.