De minister voor Rechtsbescherming heeft op 25 maart 2021 het protocol van een defungeerde notaris toegewezen aan eiser, die het protocol vanaf 1 mei 2021 zou beheren. Eiser was waarnemer van het protocol geweest en zijn kantoor is gevestigd in dezelfde plaats als waar het protocol zich deels bevindt. Alternatieven, zoals toewijzing aan het voormalige kantoor van de notaris of het huidige kantoor waar de notaris werkzaam is, werden minder voor de hand liggend geacht vanwege leeftijd, locatie en interesse.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde onder meer dat het protocol voornamelijk bij het voormalige kantoor van de notaris berustte, dat hij geen activiteiten had verricht tijdens zijn waarneming en dat de minister zijn recht tot toewijzing had verwerkt door te laat te beslissen. De minister verwees naar adviezen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en beleidsregels die toewijzing aan eiser het meest passend maakten.
De rechtbank oordeelt dat de minister de beleidsregel en adviezen van de KNB op redelijke wijze heeft toegepast. De minister mocht meer gewicht toekennen aan de nabijheid van het kantoor en eerdere betrokkenheid bij het protocol. De stelling van eiser dat er geen activiteiten waren, werd weerlegd door het kopiëren en verzenden van testamenten. Ook is geen sprake van rechtsverwerking. De kosten van archivering vallen onder het KNB-kwaliteitsfonds en zijn niet voor rekening van de minister.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat het beheer van een notarieel protocol bij een notaris moet liggen en dat de minister bij toewijzing rekening mag houden met praktische en beleidsmatige overwegingen.