ECLI:NL:RBZWB:2022:3470
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek teruggaaf BPM wegens overschrijding termijn na export
Belanghebbende diende op 21 maart 2019 een verzoek tot teruggaaf van BPM in wegens export van een auto die op 22 juni 2018 uit het Nederlandse kentekenregister was verwijderd en op 4 december 2018 in Polen werd geregistreerd. De inspecteur verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijk gestelde termijn van dertien weken na beëindiging van de registratie was ingediend.
Belanghebbende maakte bezwaar, dat door de inspecteur ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, maar dat het verzoek terecht niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank verwierp het beroep op het Unierecht en het standpunt dat de hoorplicht was geschonden, omdat belanghebbende niet was verschenen bij meerdere hoorgesprekken.
Verder wees de rechtbank het beroep af dat het griffierecht in strijd zou zijn met het Unierecht en dat de Nederlandse rechter niet bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Ook werd het verzoek om immateriële schadevergoeding niet behandeld, aangezien dit bij de civiele rechter moet worden ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht toe aan de inspecteur. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om teruggaaf BPM wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.