Conclusie
1.Overzicht
i.e.over een groot aantal ingevoerde tweedehands auto’s van twee belanghebbenden, importeurs van dergelijke auto’s. Tijdens het hoorgesprek over de auto’s van de andere importeur is ‘onenigheid’ ontstaan over de wijze waarop de gemachtigde en die andere importeur waren uitgenodigd voor het hoorgesprek. Daarop hebben de gemachtigde en die andere importeur het hoorgesprek beëindigd, waarbij de gemachtigde te kennen gaf ook geen behoefte meer te hebben gehoord te worden in de ‘niet- [B] -dossiers’,
i.e.de zaken van de belanghebbende.
Rechtbankoordeelde dat op basis van een afspraak tussen de inspecteur en de gemachtigde 5% korting op de gehanteerde koerslijst moest worden toegepast. Zij achtte de hoorplicht niet geschonden: de belanghebbende is voor een hoorgesprek uitgenodigd en er heeft daadwerkelijk, op 19 februari 2018, een hoorgesprek plaatsgevonden. Dat als gevolg van onenigheid in andere vergelijkbare zaken dit individuele bezwaar uiteindelijk niet is besproken, neemt niet weg dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
Het Hofheeft zich met overneming van gronden aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank.
in cassatieonder meer dat ’s Hofs uitspraak de artt. 7:2 Awb en 7:3 Awb en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel schendt. De Staatssecretaris van Financiën werpt tegen dat zijn gemachtigde zelf het hoorgesprek heeft afgebroken en dat daarom geen sprake kan zijn van schending van de hoorplicht. De overige zes klachten betreffen (i) vergoeding van griffierecht; (iii) beroep op
ex rentalwaardering (iv) integrale proceskostenvergoeding; (v)
Irimie-rente; (vi) gestelde renteschade en (vii) kosten bezwaarfase). Ik acht alle zes ongegrond.
Mediocursovoor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) (zie 5.5) blijkt dat het verdedigingsbeginsel de EU-lidstaten niet verplicht om een hoor
gesprekte houden, maar slechts om de belanghebbende de gelegenheid te bieden om zijn standpunt kenbaar te maken. In HR
BNB2019/92 heeft u dan ook beslist dat het EU-recht niet voorschrijft in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.
Gollnisch; zie 5.7), om een administratieve procedure nodeloos, laat staan eindeloos, te heropenen (
Mukarubega; zie 5.9) of om gelegenheid tot het geven van zienswijzen te eisen als die niets zou toevoegen en dus niet tot een andere uitkomst zou kunnen leiden (C-301/87,
Frankrijk v. Commissie;zie 5.11). Als een belanghebbende of zijn gemachtigde ervoor kiest de gelegenheid voor het geven van zijn zienswijze te gebruiken voor dergelijke andere doeleinden, bijvoorbeeld om het bestuursorgaan de les te lezen over de wijze waarop zij uitgenodigd wensen te worden of over hoe zij wensen dat het administratief omgaat met door hen gecreëerde, uiteenlopende (maten van) (mondelinge) machtigingen, of voor het beschimpen en beledigen van ambtenaren of rechters, dan kan het bestuursorgaan geen schending van het verdedigingsbeginsel worden verweten als de tijd ingeruimd voor zienswijzen verstreken is. De gemachtigde of belanghebbende die andere dingen wil dan zijn zienswijze geven op de elementen van het voorgenomen besluit, gebruikt het hoorrecht oneigenlijk. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ kan het EU-recht niet zo ruim uitgelegd worden dat het misbruik dekt. Wie zijn recht oneigenlijk gebruikt, verwerkt het.
Kamino en Hellmann(zie 5.8) en
Prequ’Italia(zie 5.10) alleen een gevolg voor het besluit verbonden worden als zonder het hoorgebrek de bezwaarprocedure een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De gemachtigde heeft volgens het gespreksverslag bij aanvang van het gesprek verklaard dat zijn cliënt geen inzage wenste en het niet inhoudelijk over de te bespreken dossiers wilde hebben, maar dat het gesprek zou gaan over de wijze van uitnodigen door de belastingdienst en over de wijze waarop de belastingdienst huns inziens administratief moest omgaan met door de gemachtigde en diens aanwezige cliënt gecreëerde onduidelijkheden over de (mate) van (mondelinge) machtiging. Verder wilde de gemachtigde kennelijk de integriteit van de horende ambtenaar in twijfel trekken en verklaarde hij ook in de ‘niet- [B] -dossiers’ (die van de belanghebbende) niet meer gehoord te willen worden. Dit zo zijnde, zou het gesprek hoe dan ook geen andere uitkomst gehad kunnen hebben, zodat aan enig hoorgebrek, als daarvan al sprake zou zijn, geen gevolgen verbonden zijn. Dat volgt ook uit art. 6:22 Awb Pro.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
ex rentalwaarden?), (iv) of recht bestaat op integrale proceskostenvergoeding, (v) of de wetgever voor vergoeding van Irimie-rente de Ontvanger heeft kunnen aanwijzen als bevoegd in plaats van de Inspecteur, (vi) of te vergoeden renteschade ontstaat door het voldoeningstijdstip bij ingevoerde gebruikte auto’s en welke rechter daarover gaat, en (vii) of het Hof ten onrechte geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. Ik ga op die geschilpunten slechts kort in.
(i) de belanghebbende, die geen
ex rentalsheeft ingevoerd, ten onrechte haar importen daarmee vergelijkt: een
ex rentalheeft een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap, aldus HvJ zaak C-437/12 (
X) [2] en HR
BNB2017/67, [3] en staat daardoor niet in een relevante concurrentieverhouding tot niet-
ex rentals. Voor de toepassing van art. 110 Verdrag Pro betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) kan de waarde van niet-
ex rentalsdaarom niet worden bepaald op basis van de waarde van binnenlandse
ex rentals;
- ii) nu de belanghebbende en de fiscus hebben afgesproken dat bij aangiften op basis van de koerslijst AutotelexPro, daarop een waardevermindering van 5% kan worden toegepast, die korting ook in casu geldt, zodat in zoverre recht op teruggaaf bestaat;
- iii) de belanghebbende daardoor meer BPM heeft voldaan dan volgens het Unierecht verschuldigd is en uit HvJ 18 april 2013 (
- iv) gegeven art. 26 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR), niet bij de belastingrechter kan worden geklaagd over gesteld rentenadeel doordat BPM moet worden voldaan vóór registratie van de auto. Die klacht gaat niet over verschuldigde belasting, maar over het wettelijke tijdstip van voldoening. Voor daaruit mogelijk voortvloeiend rentenadeel moet men bij de civiele rechter zijn;
- v) geen aanleiding bestaat voor vergoeding van bezwaarkosten en de proceskosten wettelijk forfaitair zijn bepaald. Niet gebleken is dat de belanghebbende op grond van regelgeving of aanwijzingen van de fiscus de AutotelexPro koerslijst heeft gebruikt. Dat een bedrag gerestitueerd moest worden op grond van de 5%-regeling is niet het gevolg van een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid.
3.Het geding in cassatie
Kantarev [6] volgt dat heffing van griffierecht de toegang tot effectieve EU-rechtsbescherming onaanvaardbaar kan belemmeren als het meer dan 4% van het geschilbelang bedraagt;
Kamino en Datema Hellman [7] en art. 7:2 en Pro 7:3 Awb, die de implementatie zijn van de Unierechtelijke hoorplicht, moet de fiscus een belanghebbende altijd horen voorafgaand aan een bezwarend besluit. Op grond van § 9(2) van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) had de Inspecteur, als de belanghebbende zou hebben afgezien van horen, dat hebben moeten vermelden in de uitspraak op bezwaar;
ex rental car. Het Hof heeft ten onrechte de feitelijke toestand van
ex rentalsen niet-
ex rentalsrelevant geacht, die echter geen invloed heeft op de restant-BPM in de waarde van auto’s op de binnenlandse markt; daarvoor is alleen de duur van de kentekenregistratie relevant. De belanghebbende verwijst opnieuw naar HvJ C-437/12 (
X) [8] ;
Irimie-rente worden vergoed en dat is niet het geval als de ontvanger binnen een termijn om vergopeding moet worden gevraagd in plaats van automatische vergoeding door de inspecteur. De lidstaten hebben hier volgens de belanghebbende geen procedurele autonomie, gegeven HvJ C- 365/15 (
Wortmann) [9] ;
Grundig Italiana), [10] en voor die renteschade verwijst het Hof ten onrechte naar de civiele rechter; de inspecteur zou die schade ongedaan moeten maken;
BNB2015/101 [11] de integrale bezwaarkosten moeten worden vergoed.
ex rentalsof niet-
ex rentals) die auto vergelijkbaar is. Uit HR
BNB2017/148 [14] volgt dat de last om additionele waardevermindering in afwijking van de aangifte te bewijzen op de belastingplichtige rust.
contempt of courtverwezen zou moeten worden naar het HvJ. Voor zover het rechtskundig genoemd kan worden, bevat het niets nieuws, zodat het HvJ niets zou kunnen doen dan de zaak bij beschikking afdoen onder herhaling van interne-marktmantra’s en de
Rewe-riedel, en voor de toepassing daarvan terugwijzen naar de nationale rechter die deze gemachtigde zo dierbaar is.
no cure no payverdienmodel van maximalisering van proceskostenvergoeding, griffierechtvergoeding, vergoeding wegens termijnoverschrijding, en renteberekening over dit alles. De gemachtigde is inmiddels op basis van art. 8:25 Awb Pro door verschillende feitenrechters geweigerd als gemachtigde wegens intimidatie en belediging en (daardoor) beschadiging van het belang van zijn cliënten en van een behoorlijke procesorde (zie onderdeel 4 hieronder). Op grond van art. 2:2 Awb Pro is door de belastingdienst voor een periode van drie maanden geweigerd een gemachtigde wiens gedrag en woordkeus wel zeer spekend op dat van deze gemachtigde lijkt (zie 9.3 hieronder);
4.Waarschuwingen en weigeringen
Horen
1 Motivering
geendoorgang zal vinden.
Beslissing
curs. PJW):
2.Overwegingen
contempt of courtbestaat. In het juristenglossy
Mr.van augustus 2019 signaleert columnist Jurjen Boorsma [34] een ‘hagelschietende gemachtigde’ die zijn taal ‘overpent van de dichtstbijzijnde schutting’, zijn levensvervulling vindt in het voeren van ‘flutprocesjes over kommaatjes van BPM-tabelletjes’ en daarbij ‘al fluttend’ losgaat ‘zoals een kleuter die kleit met hondendrolletjes.’ Maar: ‘Helaas begrijpt Nederland hem niet.’ Hij ‘vindt Nederland trouwens een kutland’.
5.Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel
Algemeen
BNB2020/26, [36] meen ik dat ook als de rechter uiteindelijk geen marktbelemmering aanwezig oordeelt en hij dus uiteindelijk niet toekomt aan onderzoek naar mogelijke rechtvaardiging voor die niet-bevonden marktbelemmering, wel de werkingssfeer van het EU-recht wordt betreden als de belanghebbende er in een geval van intra-EU-goederenhandel beroep op doet. Mijns inziens volgt uit de rechtspraak van het HvJ [37] dat het EU-recht en daarmee ook de algemene beginselen van EU-recht en het Handvest ook van toepassing zijn bij beantwoording van de vraag
ófhet vrije verkeer belemmerd wordt door een nationale maatregel zoals BPM-heffing bij invoer van auto’s uit een andere EU-lidstaat. Zou het anders zijn, dan zou alleen achteraf, wellicht pas na prejudiciële verwijzing naar het HvJ, vastgesteld kunnen worden of jaren geleden een voorafgaand hoorrecht bij de administratie bestond en zou de administratie het verdedigingsbeginsel kunnen uitschakelen door in importgevallen het standpunt in te nemen dat zich geen marktbelemmering voordoet.
in primoen het hoorrecht in bezwaar. Het recht om gehoord te worden voorafgaande aan een bezwarend besluit
in primo(Bip), zoals een belastingaanslag, is in casu niet aan de orde omdat de BPM door voldoening op aangifte (
self assessment) wordt geheven, zodat geen sprake is van enige beschikking van de administratie, laat staan een bezwarende beschikking, voorafgaand waaraan de belanghebbende gehoord zou hebben kunnen worden. Het gaat in casu om het recht om gehoord te worden voorafgaand aan het besluit
op bezwaar(het Bob), dus om gehoord te worden alvorens de administratie beslist op een bezwaar ingediend tegen een beschikking of tegen die eigen voldoening op aangifte. Ook het hoorrecht in bezwaar is een algemeen beginsel van EU-recht, nu immers ook een ongegrondverklaring van een bezwaarschrift een bezwarende individuele beschikking is.
Mediocurso [39] betrof twee beschikkingen van de Europese Commissie tot verlaging van de bijdrage uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) wegens onrechtmatigheden. De bevoegde Portugese instantie (DAFSE) had Mediocurso’s boeken laten onderzoeken door een accountant, die DAFSE twee rapporten had gestuurd die op onregelmatigheden wezen die verlaging van de bijdrage zouden rechtvaardigen. DAFSE heeft Mediocurso daarvan op de hoogte gesteld tijdens een vergadering, waarbij Mediocurso geen opmerkingen maakte. De volgende dag al kreeg Mediocurso van DAFSE met verzoek tot terugbetaling. Mediocurso heeft die terugvordering aangevochten. Het HvJ EG overwoog (in hoger beroep) als volgt over de vraag of Mediocurso naar behoren haar standpunt kenbaar had kunnen maken:
Gollnisch [41] voor het Gerecht van Eerste Aanleg betrof een strafrechtelijke procedure van de Franse autoriteiten tegen een lid van het Europees Parlement. Dat Parlement had op verzoek van de Franse autoriteiten de parlementaire immuniteit van de betrokkene opgeheven. Het parlementslid stelde hiertegen beroepen in, onder meer aanvoerende dat zijn verdedigingsrechten waren geschonden omdat hij gehoord had willen worden tijdens een openbaar debat. Het Gerecht las in het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geen recht op een openbaar debat, maar slechts dat de parlementariër vóór het opheffingsbesluit in staat moest zijn gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over de feiten en omstandigheden op basis waarvan dat besluit zou worden vastgesteld:
Kaminoen
Datema Hellmann [42] ging het om twee douane-expediteurs die voor een belanghebbende aangiften deden. Naar aanleiding van een Nederlandse douanecontrole werden hen uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt. Zij klaagden dat zij vóór uitreiking van de utb’s niet in de gelegenheid waren gesteld hun standpunten aan de inspecteur kenbaar te maken. Nederland betoogde dat het voldoende was dat de expediteurs op hun verzoek in de bezwaarfase worden gehoord (art. 25(1) AWR). Het HvJ achtte dat niet voldoende als indiening van bezwaar de (financiële) gevolgen van de utb niet schorst, maar overwoog ook dat schending van de vooraf-horen-plicht alleen tot nietigverklaring van het zonder horen opgelegde bezwarende besluit leidt als de procedure mét horen naar behoren een andere afloop zou kunnen hebben gehad:
(…).
Mukarubega [43] overwoog het HvJ dat het verdedigingsbeginsel niet kan worden gebruikt om een administratieve procedure nodeloos te rekken of eindeloos te heropenen:
rechtstreeksberoep van Frankrijk tegen een Commissiebesluit (dus in een zaak over het
eigenEU-procesrecht en niet over enig nationaal procesrecht) oordeelde het HvJ dat voorbijgegaan kan worden aan niet-horen als wél horen niets zou hebben toegevoegd: [45]
6.(Schending van) de hoorplicht in de bezwaarfase naar intern recht
De regels
Prequ’Italiasamengevat: schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, leidt pas tot nietigverklaring van het besluit, als de administratieve procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben.
BNB2016/65 [59] was het resultaat van een tweede cassatieronde in een langlopende zaak over de vraag of 86 ton ingevoerde verse knoflook uit Pakistan of uit China kwam. Het Hof had achtte de rechten van de verdediging bij de uitreiking van de uitnodiging tot betaling (utb) niet geschonden. De belanghebbende betoogde dat zij wel waren geschonden doordat de inspecteur niet wilde meewerken aan een inhoudelijk gesprek waarbij de belanghebbende bewijsstukken had kunnen overleggen, daarover met de Inspecteur had kunnen discussiëren en van de Inspecteur zonodig aanwijzingen had kunnen krijgen over welk verder bewijsmateriaal hoe te verzamelen. U oordeelde dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet meer eist dan dat de belanghebbende zijn opmerkingen over het voorgenomen besluit naar behoren kenbaar kan maken:
BNB2019/51 [61] had de belanghebbende in zijn
pro formabezwaarschrift verzocht te worden gehoord. De Inspecteur deelde hem mee dat hij van plan was het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk te verklaren maar dat hij desgewenst een afspraak kon maken om zijn bezwaar mondeling toe te lichten. De gemachtigde van belanghebbende heeft vervolgens per e-mail een toelichting op het bezwaar gegeven en is niet teruggekomen op het eerdere verzoek om te worden gehoord. U oordeelde onder verwijzing naar HR
BNB2009/169 (zie 6.19) dat daaruit niet mocht worden afgeleid dat de belanghebbende afstand had gedaan van zijn hoorrecht en dat de Inspecteur art. 7:2 Awb Pro moest toepassen.
NLF2019/0796 het onderscheid tussen het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel voorafgaand aan een besluit en het hoorrecht ex art. 7:2 Awb Pro in de bezwaarfase, dus na oplegging van het bezwarende besluit. Het verdedigingsbeginsel omvat geen recht op een hoor
gesprek; het tweede wel:
V-N2019/16.26 signaleert dit onderscheid:
BNB2019/191 [64] had de Inspecteur naar aanleiding van een ingediende bezwaar een naheffingsaanslag BPM vernietigd zonder de belanghebbende te horen, en had hij de proceskosten forfaitair vergoed, zonder te reageren op een verzoek om immateriële schadevergoeding. De belanghebbende klaagde dat hij (ook over de nevenvordering van schadevergoeding) had moeten worden gehoord. U oordeelde dat als volledig aan het bezwaar tegen het Bip wordt tegemoetgekomen, de belanghebbende niet gehoord hoeft te worden over nevenvorderingen (kosten van rechtsbijstand en termijnoverschrijdingschade):
V-N2009/38.12 was zeer kritisch op dit oordeel:
7.Middel (ii): het verdedigingsbeginsel en het hoorrecht
Het beroep op het verdedigingsbeginsel
acte éclaire(de kwestie al is opgehelderd door het HvJ) of een (ii)
acte clair(redelijkerwijs bestaat geen twijfel over de juiste toepassing van het Unierecht). [72] De 27 nationale hoogste rechters behouden uiteraard hun eigen verantwoordelijkheid voor de uitleg van EU-recht, dat immers ook nationaal recht is, en moeten het HvJ uiteraard niet ondersneeuwen. Dat een
acteniet
clairzou zijn, blijkt door het HvJ ondanks zijn theoretische CILFIT-gestrengheid in de praktijk dan ook niet snel aangenomen te worden: uit de zaken C-72/14 en C-197/14 (
X en Van Dijk) [73] blijkt bijvoorbeeld dat de hoogste rechter niet verplicht is om vragen te stellen hoewel een hoger-beroepsrechter vragen heeft gesteld in een identieke zaak, noch om het antwoord af te wachten als hij zelf het antwoord wél
clairacht, en uit de zaak C-495/03 (
Intermodal Transports) [74] blijkt dat als het EU-recht in verschillende lidstaten verschillend wordt uitgelegd door niet-verwijzingsplichtige rechters, dit een verwijzingsplichtige rechter niet belet om zijn eigen uitleg van het EU-recht desondanks
clairte achten.
Mediocurso(zie 5.5) blijkt dat, anders dan de belanghebbende stelt, het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel de lidstaten niet verplicht om daartoe een hoorgesprek te houden, maar slechts om de belanghebbende de gelegenheid te bieden om zijn standpunt kenbaar te maken. In HR
BNB2019/92 (zie 6.23) heeft u dan ook beslist, in een zaak over een BPM-naheffing, dat het EU-recht niet voorschrijft in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.
Sopropé(zie 5.6), om de bevoegde autoriteit in staat te stellen om naar behoren rekening te houden met alle voor het bezwarende besluit relevante feiten en omstandigheden en om de belanghebbende in staat te stellen vergissingen te corrigeren en individuele omstandigheden aan te voeren die van invloed kunnen zijn op het besluit, en dat die autoriteit met de nodige aandacht kennis neemt van de opmerkingen daarover van de belanghebbende. Het arrest houdt niet alleen een opdracht aan het bestuursorgaan in, namelijk een belanghebbende gelegenheid bieden om zijn zienswijze te geven, maar geeft ook aan waarop het geven van die zienswijze ziet: ‘de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren’ voor zover het voorgenomen besluit de belangen van de geadresseerde ‘aanmerkelijk beïnvloedt’. Het verdedigings-beginsel kan dan ook niet ingeroepen worden om een openbaar debat te eisen (
Gollnisch; zie 5.7 hierboven), om een administratieve procedure nodeloos te rekken of eindeloos te heropenen (
Mukarubega; zie 5.9) of om een gelegenheid tot het geven van zienswijzen te eisen als die niets zou toevoegen en daarom geen andere afloop aan de procedure zou kunnen geven (C-301/87,
Commissie v. Frankrijk; zie 5.11).
gesprekinhoudt, maar slechts een recht op gelegenheid tot het geven van zienswijzen op de elementen van het voorgenomen besluit en op aandacht
daarvoor van het bestuursorgaan. De gemachtigde of de belanghebbende wenst dan kennelijk iets anders te bewerkstelligen dan zijn zienswijze uiteenzetten op de elementen van het voorgenomen besluit en
daarvoor aandacht te krijgen. In termen van beginselen van behoorlijk bestuur zou dat
détournement de pouvoirheten, maar nu de gemachtigde gelukkig geen
pouvoirheeft, is het oneigenlijk gebruik van hoorrecht. Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat het EU-recht niet zo ruim uitgelegd kan worden dat het misbruik dekt. [76] Wie zijn recht oneigenlijk wenst te gebruiken, verwerkt het. Ik wijs ook op het
common lawbegrip
Estoppel: degene die bij de rechter een positie inneemt die haaks staat op de positie die hij eerder innam jegens de wederpartij, wordt
estoppedom die positie te verdedigen. Ik wijs ook op de reeds in het Romeinse recht bekende regel dat niet gehoord wordt wie zich op zijn eigen verwijtbaarheid beroept:
nemo auditur propriam turpitudinem allegans.
i.e.de twee zaken van de belanghebbende.
hijzich beledigd acht doordat de betrokken ambtenaren zich kennelijk niet verder de les wilden laten lezen, noch zich wilden laten uitschelden. Ik acht de voorzitter van een hoorgesprek bevoegd om gesprekswendingen af te kappen die niet kunnen bijdragen aan een feitelijk en rechtskundig correct besluit en ik acht hem daartoe verplicht als de gehoorde het hoorgesprek misbruikt voor andere doelen. Ik acht hem dus ook bevoegd om het gesprek te beëindigen als de gehoorde niet in staat blijkt binnen minimale fatsoensgrenzen te blijven of volhardt in pogingen het hoorgesprek voor andere doeleinden te gebruiken dan waarvoor het volgens het verdedigingsbeginsel bedoeld is, met name voor verbaal geweld. Dat de gemachtigde door eigen wangedrag in bepaalde, met wél besproken dossiers vergelijkbare dossiers niet nog eens separaat zijn standpunt heeft kunnen geven tijdens het daarvoor bestemde gesprek, kan in dat geval alleen hem verweten worden. Er bestaat geen Unierechtelijke verplichting om een gemachtigde of belanghebbende die heeft aangegeven niet meer gehoord te willen wordenof die het zelf onmogelijk heeft gemaakt om het over de elementen van het voorgenomen besluit te hebben, nogmaals in de gelegenheid te stellen om een standpunt kenbaar te maken.
Kamino en Hellmannen
Prequ’Italia(zie 5.8 en 5.10 hierboven) alleen gevolg voor het besluit verbonden zijn als zonder het hoorgebrek de bezwaarprocedure een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De gemachtigde heeft echter volgens het gespreksverslag (zie 2.4) bij aanvang van het gesprek verklaard dat zijn cliënt - die steeds verhinderd was, maar hem desondanks vergezelde - geen inzage in klaargelegde dossiers wenste en het niet inhoudelijk over de te bespreken zaken wilde hebben, maar alleen over de wijze van uitnodigen door de belastingdienst en over de door de gemachtigde en diens aanwezige cliënt verschillend geformuleerde (mate van) (mondelinge) machtiging waaraan de belastingdienst huns inziens door hen gewenste administratieve gevolgen zou moeten verbinden. Verder wilde de gemachtigde kennelijk de integriteit van de horende ambtenaar in twijfel trekken en gaf hij aan ook in de niet-‘ [B] -dossiers’ (die van de belanghebbende) niet gehoord te willen worden. Dit zo zijnde, zou het gesprek hoe dan ook geen andere uitkomst gehad kunnen hebben: de gemachtigde wilde expliciet niet zijn zienswijze geven op de elementen waarop de voorgenomen uitspraak op het bezwaar van de belanghebbende zou berusten.
éclairé.
gesprekeist), al moeten die bepalingen wel, in geval van spanning met dat beginsel in gevallen binnen de werkingssfeer van het EU-recht, EU-rechtconform worden uitgelegd.
8.Beoordeling van de overige middelen
Griffierecht en de bevoegdheid van de rechter (middel (i))
X): [80]
DEB [81] voor het HvJ betrof een insolvente rechtspersoon die niet in aanmerking kwam voor gesubsidieerde rechtsbijstand en daardoor dreigde niet te kunnen procederen om een beroep op EU-recht te doen. Het HvJ overwoog dat de nationale rechter moet nagaan of de nationale voorwaarden voor rechtsbijstand een zodanige beperking zijn dat het recht op toegang tot de rechter in zijn kern aantast:
acte éclairédat, anders dan de belanghebbende stelt, het Unierecht, in het bijzonder art. 47 Handvest Pro, niet enige plicht inhoudt om werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Ik merk op dat de belanghebbende geen proceskostencautie hoefde te stellen en in fiscale zaken geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat en dat zijn gemachtigde op
no cure no paybasis optreedt.
BNB2015/101 [82] oordeelde u dan ook dat mogelijke strijd met EU-recht niet automatisch recht geeft op integrale proceskostenvergoeding:
Irimie-rente naar dezelfde rentevoet en zelfs over een langere termijn wordt vergoed dan in puur interne gevallen. Mede omdat die rentetermijn
ten gunstevan
Irimie-gevallen afwijkt van de termijn voor puur interne gevallen en dus niet gekoppeld kan worden aan die termijn voor interne gevallen, heeft de wetgever voor die extra-vergoeding een afwijkende procedure ingesteld en daarvoor voorgeschreven dat een separaat verzoek moet worden ingediend (bij de inspecteur of bij de ontvanger maakt niet uit, zoals u in HR
BNB2019/23 [83] overwoog). Dat binnen een bepaalde termijn – gelijk aan de bezwaartermijn - een verzoek moet worden ingediend, is geen schending van het doeltreffendheidsbeginsel, nu dat gegeven het voor belanghebbenden geenszins uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk maakt om
Irimie-rente vergoed te krijgen; een eenvoudig verzoek volstaat en uit de rechtspraak van het HvJ blijkt [84] dat ook een termijn van vier weken niet in strijd is met EU-recht. U heeft in het genoemde arrest HR
BNB2019/23 met een uitgebreide motivering ten overvloede en verwijzing naar rechtspraak van het HvJ dan ook al geoordeeld dat de regeling van art. 28c Invorderingswet 1990 niet in strijd is met het EU-recht.
BNB2015/101 (zie 8.8 hierboven) omdat in strijd met het Unierecht belasting zou zijn geheven, zodat haars inziens de integrale proceskosten in bezwaar moeten worden vergoed.
BNB2015/101 (zie 8.7) volgt dat eventuele strijd met EU-recht geenszins automatisch leidt tot integrale kostenvergoeding. Ook dit middel leidt mijns inziens niet tot cassatie.
9.Gemachtigden tegen wie ernstige bezwaren bestaan
meteeningaan na de ‘woede’ en ‘woordenwisseling’ die volgden op de waarschuwing. De gemachtigde moest, kortom, eerst even kunnen afkoelen, en als hij zich daarna nog steeds niet kon gedragen, kon de weigering pas ingaan. De Afdeling overwoog als volgt: [89]
Artikel 266
überhauptgeen debat, maar zijn hoogst particuliere frustratie bot te vieren op anderen) en nu de feitenrechters al vastgesteld hebben dat de gemachtigde niet heeft kunnen uitleggen welke relevantie zijn gescheld en getier zou kunnen hebben voor de door hem behandelde (soort) zaken. Hij lijkt met zijn gescheld en getier slechts zijn kennelijk grotendeels op Nederlands gemeenschapsgeld drijvende verdienmodel te willen beschermen (zie met name de gecursiveerde passages in 4.8), blijkbaar niet begrijpende dat hij in dat opzicht al heel ver op streek is naar een tegengestelde uitkomst.
ampelwaarschuwing en biedt hem immers
ampelgelegenheid én stof tot bezinning.