ECLI:NL:RBZWB:2022:3474
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid verzoek teruggaaf BPM wegens export
Belanghebbende heeft op 4 december 2018 een verzoek tot teruggaaf van BPM ingediend wegens export van een in Nederland geregistreerde auto, waarvan de registratie op 27 augustus 2018 was beëindigd en die op 21 november 2018 in Polen werd geregistreerd. De inspecteur verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke termijn van dertien weken na beëindiging van de registratie was ingediend. Tijdens de bezwaarprocedure werd het verzoek ambtshalve toegewezen omdat de registratie in Polen binnen de termijn plaatsvond.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring en stelde onder meer dat het Unierecht van toepassing is en dat zij niet correct is gehoord. De rechtbank verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het hoorgesprek op 7 september 2020 voldoende was en dat het Unierecht niet van toepassing is op dit verzoek.
Verder wees de rechtbank klachten over het griffierecht af, verwijzend naar het arrest Kantarev en het feit dat de Nederlandse regeling de toegang tot de rechter niet belemmert. Verzoeken om vergoeding van immateriële schade werden niet behandeld omdat dit onder de civiele rechter valt. Het beroep is ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot teruggaaf BPM wordt ongegrond verklaard.