ECLI:NL:RBZWB:2022:3478
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen niet-ontvankelijkheid teruggaaf BPM bij export
Belanghebbende diende in 2019 verzoeken tot teruggaaf BPM in voor vier geëxporteerde personenauto's, waarbij de inspecteur deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaarde omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van dertien weken na beëindiging van de registratie waren ingediend. De inspecteur kwalificeerde de verzoeken als ambtshalve teruggaafverzoeken en kende de volledige teruggaaf met rente toe.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissingen, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. Tijdens de bezwaarprocedure vond een hoorgesprek plaats. Belanghebbende stelde onder meer dat het Unierecht van toepassing was, dat zij niet correct was gehoord, dat de heffing van griffierecht onrechtmatig was en verzocht om immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het Unierecht niet van toepassing is op de teruggaaf van BPM bij export en dat de hoorplicht was nageleefd. De klachten over de hoogte en verschuldigdheid van het griffierecht werden verworpen omdat de Nederlandse regeling de toegang tot de rechter niet belemmert. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd niet inhoudelijk behandeld omdat dit bij de civiele rechter aanhangig gemaakt moet worden.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees het griffierecht en proceskosten af en wees erop dat belanghebbende hoger beroep kan instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkheid van verzoeken tot teruggaaf BPM worden ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.