In deze bestuursrechtelijke procedure staat de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Tilburg terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor de legalisatie van een straalcabine die sinds 2011 op een bedrijventerrein aanwezig is. De vergunning werd verleend met toepassing van de kruimelgevallenregeling (artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht), ondanks bezwaren van omwonenden en een eigenaar van een nabijgelegen perceel.
De bezwaarmakers stelden onder meer dat de vergunning onterecht werd verleend omdat er al een illegale straalcabine uit 2003 aanwezig was, dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was en dat milieuaspecten zoals geluid en stof niet adequaat waren onderzocht. De rechtbank oordeelde dat het college de vergunning als bevoegdheid, niet als verplichting, heeft verleend en dat het besluit terughoudend moet worden getoetst.
De rechtbank stelde vast dat het akoestisch rapport van DPA Cauberg Huygen, waarop het college zich baseerde, voldoende en juist was onderbouwd en dat de geluidsbelasting binnen de geldende normen bleef. Ook werd bevestigd dat de afzuiginstallatie effectief is en geen stofemissie naar buiten plaatsvindt. De woonbelangen van de eigenaar van het nabijgelegen perceel konden geen rol spelen omdat deze niet meer op het perceel woont en de bewoning niet is toegestaan.
Ten slotte werd geoordeeld dat de aanwezigheid van de straalcabine uit 2003 in de beoordeling was meegenomen en dat het college in redelijkheid tot vergunningverlening heeft kunnen besluiten. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.