Eiser, werkzaam als chauffeur, viel op 9 augustus 2019 uit wegens MS en ontving een Ziektewet-uitkering via een eigen risicodragende werkgever (ERD). Het UWV besloot aanvankelijk de uitkering voort te zetten, maar na bezwaar van de ERD werd de uitkering per 1 maart 2021 beëindigd. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en vorderde tevens schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming.
Tijdens de procedure wijzigde het UWV het bestreden besluit en besloot de uitkering vanaf 1 maart 2021 voort te zetten. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Eiser vorderde vergoeding van eigen bijdragen voor rechtsbijstand en immateriële schadevergoeding wegens psychische en lichamelijke schade.
De rechtbank oordeelde dat de eigen bijdragen via de proceskostenvergoeding worden vergoed en dat immateriële schadevergoeding niet toewijsbaar is omdat eiser onvoldoende concrete en medische onderbouwing leverde. Wel werd het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en reiskosten.
De uitspraak bevestigt dat het UWV aansprakelijk is voor de onrechtmatige besluitvorming, maar beperkt de schadevergoeding tot materiële kosten en wettelijke rente, conform de geldende bestuursrechtelijke en civielrechtelijke kaders.