Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 7 juli 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, voormalig storings- en onderhoudsmonteur, ontving sinds 2 januari 2020 een Ziektewetuitkering vanwege luchtwegklachten. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde het UWV dat eiser in staat was passende arbeid te verrichten en beëindigde de uitkering per 9 maart 2021. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze beëindiging.
Medisch onderzoek door een primaire arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep leidde tot een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waarin beperkingen werden vastgesteld, waaronder beperkingen voor fysieke inspanning, schouderbelasting en mentale stress. Eiser voerde aan dat zijn beperkingen, mede door COPD en COVID-19 risico, onderschat waren en dat hij alleen vanuit huis zou kunnen werken. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de FML adequaat rekening hield met de klachten en beperkingen van eiser.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde passende functies vast die eiser, uitgaande van de FML, kon verrichten. Eiser betwistte de geschiktheid van deze functies, maar dit werd verworpen omdat zijn medische beperkingen niet anders waren vastgesteld. De berekening van de arbeidsongeschiktheid leidde tot minder dan 35%, waardoor de Ziektewetuitkering terecht werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding en griffierechtvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter V.M. Schotanus op 7 juli 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 9 maart 2021.