Eiser exploiteert een veehouderij en beschikte in 2018 over een derogatievergunning voor een hogere gebruiksnorm dierlijke mest. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) legde hem een bestuurlijke boete van €40.230,50 op wegens overschrijding van de Meststoffenwet. Eiser maakte bezwaar tegen deze boete, dat werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast bevoegd te zijn om kennis te nemen van het beroep, ondanks een parallel lopende procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de intrekking van de derogatievergunning.
De rechtbank ging inhoudelijk in op de berekening van de mestvoorraad en het stikstofgehalte. Eiser stelde dat de RVO onjuiste gegevens gebruikte, maar slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zijn methode nauwkeuriger was. Vervolgens beoordeelde de rechtbank de hoogte van de boete. De rechtbank vond de boete van €40.230,50 disproportioneel, mede omdat het economisch voordeel werd berekend op basis van de lagere gebruiksnorm in plaats van de hogere derogatievergunningnorm. Ook de financiële situatie van eiser en het eenmalige karakter van de overtreding speelden mee.
De rechtbank matigde de boete tot €9.000,- en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 juli 2022.