ECLI:NL:CBB:2016:355
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- R.R. Winter
- H.L. van der Beek
- H.B. van Gijn
- Rechtspraak.nl
Evenredigheid bestuurlijke boete wegens overtreding Meststoffenwet en niet tijdige derogatieaanmelding
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Economische Zaken en een incidenteel hoger beroep van een melkveehouderij tegen een boetebesluit op grond van de Meststoffenwet. De staatssecretaris legde een boete van €25.923,50 op wegens overschrijding van gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen in 2011, mede omdat de derogatieregeling niet tijdig was aangevraagd en grondmonsters te laat waren aangeleverd.
De rechtbank had de boete gematigd tot €14.504,75, onder meer vanwege persoonlijke omstandigheden en vermeende verminderd verwijtbaarheid. Het College van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat de rechtbank onjuiste gronden hanteerde en te veel matigde. Het College bevestigt dat de staatssecretaris bevoegd was de boete op te leggen en dat de overschrijding van de derogatievoorwaarden leidt tot toepassing van de lagere norm.
Het College overweegt dat het handhavingsbeleid van de staatssecretaris bij één tekortkoming een boete van €2.000 oplegt, maar bij twee tekortkomingen geen dubbele matiging toepast. Gezien het feit dat er twee tekortkomingen waren, acht het College een boete van 50% van het oorspronkelijke bedrag passend, wat leidt tot een boete van €15.703,50. De persoonlijke omstandigheden van de melkveehouderij worden niet als voldoende onderbouwd gezien voor verdere matiging.
Daarnaast veroordeelt het College de staatssecretaris in de proceskosten van €974 en bepaalt dat het griffierecht van €318 wordt vergoed. De uitspraak van 6 februari 2015 wordt vernietigd en vervangen door deze beslissing.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €15.703,50 na matiging wegens niet tijdige derogatieaanmelding en te late grondmonsters.