ECLI:NL:RBZWB:2022:4066

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 juli 2022
Publicatiedatum
22 juli 2022
Zaaknummer
AWB- 20_8455
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Belastingdienst waarin voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget voor 2019 waren vastgesteld. Na een eerste besluit verklaarde de Belastingdienst het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank. Vervolgens herzag de Belastingdienst het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar ontvankelijk en gegrond, waarbij de voorschotten werden verhoogd.

Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om de Belastingdienst te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb bij intrekking van het beroep vanwege tegemoetkoming het bestuursorgaan kan worden veroordeeld in de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op €759,00 voor de beroepsmatige rechtsbijstand en wees erop dat het griffierecht van €48,00 reeds door de Belastingdienst wordt vergoed. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van €759,00 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/8455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 10 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder (onder meer) de aan eiser toegekende voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2019 herzien en vastgesteld op respectievelijk €1.157,00 en € 2.929,00.
In het besluit van 31 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 25 mei 2022 heeft verweerder het bestreden besluit herzien en besloten het bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren, en het recht van eiser op voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget vast te stellen op respectievelijk € 1.189,00 en € 6.068,00. Verweerder heeft de rechtbank in de begeleidende brief meegedeeld dat hij zich kan vinden in een proceskostenvergoeding van één punt voor het schrijven van het beroepschrift door de gemachtigde van eiser. Ook het griffierecht zal door verweerder worden vergoed.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,00 met een wegingsfactor 1).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,00 te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Verweerder heeft al toegezegd het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.