ECLI:NL:RBZWB:2022:4134

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juli 2022
Publicatiedatum
26 juli 2022
Zaaknummer
21/2147
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1 Verordening parkeerbelastingen Breda 2021Artikel 8 Verordening parkeerbelastingen Breda 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken parkeren

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat haar auto op een parkeerplaats stond zonder dat parkeerbelasting was voldaan. Zij stelde dat zij slechts haar dochter hielp uitstappen bij een drukke straat en daarna naar een bloemenwinkel reed om een boeket te kopen. De heffingsambtenaar stelde dat kort stil staan ook als parkeren geldt en verwees naar eerdere jurisprudentie.

De rechtbank beoordeelde of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en concludeerde dat de heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast had voldaan. De scantfoto's waren onvoldoende om te bewijzen dat er sprake was van parkeren. Het tijdsverloop tussen de foto en de betaling bij de bloemenwinkel was slechts 12 minuten, waarvan minstens 6 minuten nodig waren om te rijden. Dit maakte het aannemelijk dat het slechts om in- en uitstappen ging.

De rechtbank oordeelde dat het niet realistisch is dat het uitstappen slechts enkele seconden duurt en dat een momentopname van de scanauto onvoldoende bewijs is. Daarom werd de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd en werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag werden vernietigd en de heffingsambtenaar moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd omdat niet is vastgesteld dat sprake was van parkeren.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/2147
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 april 2021.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 66, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 64,50 aan kosten (hierna: de naheffingsaanslag parkeerbelasting).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

2.Feiten

2.1.
De auto met kenteken [kenteken] stond op 3 april 2021 omstreeks 13:59 uur stil op een parkeerplaats aan de [adres] te [plaats] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1] Tijdens de controle met een scanauto op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd?
Standpunten van partijen
3.2.
Belanghebbende stelt dat haar dochter uitgenodigd was voor een kinderfeestje om 14:00 uur aan de [adres] te [plaats] . Belanghebbende heeft toegelicht dat, omdat het een drukke straat betreft waar het verkeer (vaak) te hard rijdt, zij de auto op een parkeerplaats heeft gezet om haar dochter te helpen met het uitstappen en over te dragen aan de vader van het vriendinnetje die voor de poort stond om alle kinderen op te vangen. Belanghebbende geeft verder aan dat zij daarna vanaf de [adres] naar de bloemenwinkel “ [bedrijf] ” is gereden aan de [adres 2] te [plaats] , circa 2 kilometer verderop. Belanghebbende heeft verwezen naar een afdruk van Google maps waarop is te lezen dat de tijd die benodigd is tussen de voornoemde locaties, 6 minuten bedraagt. Tevens heeft belanghebbende verwezen naar een afdruk van Google maps waarop is te lezen dat op een zaterdagmiddag rond 14:00 uur een druk tijdstip is voor de voornoemde route. Belanghebbende heeft gesteld dat door de drukte op de weg rit langer duurde dan de door Google maps aangegeven 6 minuten. Belanghebbende heeft verder aangegeven dat zij de auto aldaar geparkeerd heeft, naar de bloemenwinkel is gelopen, een boeket heeft uitgezocht en het in heeft laten pakken. De betaling daarvan heeft plaatsgevonden op 14:12 uur. Volgens belanghebbende was dit niet gelukt als zij haar auto enkele minuten geparkeerd zou hebben aan de [adres] .
3.3.
De heffingsambtenaar heeft gesteld dat op de foto’s van de scanauto niet te zien is dat sprake is van onmiddellijk in- en uitstappen en dat ook kort stil staan op een parkeerplaats aangemerkt wordt als parkeren voor parkeerbelasting. De heffingsambtenaar verwijst hiervoor naar de uitspraken van gerechtshof Arnhem van 16 juli 2003 [2] en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019. [3]
Rechtskader
3.4.
Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3.5.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
3.6.
De bewijslast om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar dient in dit geval aannemelijk te maken dat sprake is van parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en voornoemd artikel 1 van Pro de Verordening.
Beoordeling
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De door hem overlegde scanfoto’s zijn daartoe onvoldoende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar niet betwist heeft dat belanghebbende na het afzetten van haar dochter naar de bloemenwinkel is gereden en aldaar een betaling heeft verricht om 14:12 uur. Gelet op het tijdsverloop tussen de foto door de scanauto, namelijk om 13:59 uur en de afrekening bij de bloemenwinkel van slechts 12 minuten waarvan ten minste 6 minuten nodig waren om naar de winkel te rijden, acht de rechtbank de verklaring van belanghebbende – dat geen sprake was van parkeren, maar enkel het in- en uit laten stappen van een persoon – geloofwaardig. Dat het uitstappen zelf niet op de foto waarneembaar is, zoals de heffingsambtenaar heeft gesteld, doet daar niet aan af nu immers sprake is van een zeer korte momentopname van de scanauto die voorbij rijdt. Bovendien zou dit impliceren dat het laten uitstappen van een persoon slechts enkele seconden in beslag zou mogen nemen hetgeen de rechtbank niet reëel voorkomt.
3.8.
Nu geen sprake is van parkeren als bedoeld in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1 van Pro de Verordening, is de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

5.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigd de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 25 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8 van Pro de Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 en het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021.