ECLI:NL:RBZWB:2022:4775
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op inzageverzoek persoonsgegevens op grond van de AVG
Eiser heeft op 17 maart 2022 een aanvraag ingediend bij de korpschef van politie om inzage te verkrijgen in zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Verweerder heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van één maand beslist, waardoor eiser op 29 april 2022 verweerder in gebreke stelde. Na het verstrijken van de ingebrekestelling heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast stelt de rechtbank de door verweerder te betalen dwangsom op grond van artikel 4:17 Awb Pro vast op € 1.442,-, omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- en de proceskosten van € 379,50. De rechtbank kwalificeert het geschil als licht van aard en past de bijbehorende wegingsfactor toe.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, draagt verweerder op binnen twee weken alsnog te beslissen en legt een dwangsom op wegens overschrijding van de beslistermijn.