Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met paardenstal en schuur, gebouwd in 1930, gelegen op een perceel van 4995 m2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2019 vastgesteld op €516.000,00, wat tevens de basis vormde voor de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2020. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning maximaal €468.000,00 waard is.
De rechtbank toetst de waardebepaling aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in de omgeving worden gebruikt. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport en een gegevensmatrix overgelegd waaruit blijkt dat de referentiewoningen qua type, bouwjaar, kavelgrootte en ligging vergelijkbaar zijn. Ook is rekening gehouden met afwijkingen zoals de nabijheid van een onbemand tankstation en windmolens op circa twee kilometer afstand.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de ligging slechter is door horizonvervuiling, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met zes maanden is overschreden. Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500,- toegekend, waarvan €83,33 voor rekening van de heffingsambtenaar en €416,67 voor de Staat der Nederlanden. Ook worden proceskosten van €759,- verdeeld over beide partijen en wordt het griffierecht vergoed.