ECLI:NL:RBZWB:2022:5041

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 september 2022
Publicatiedatum
31 augustus 2022
Zaaknummer
21/3506
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ParkeerverordeningArt. 4 ParkeerverordeningArt. 8 ParkeerverordeningArt. 24 lid 1 onder d onder 2 RvvArt. 225 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting voor stilstaande auto bij laadpaal

De heffingsambtenaar legde aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting op omdat zijn auto op 2 april 2021 zonder betaling geparkeerd stond op een parkeerplaats aan de Zandberglaan te Breda, bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen.

Belanghebbende voerde aan dat er geen sprake was van parkeren in de zin van de Parkeerverordening omdat zijn auto weliswaar stil stond en aangesloten was op de laadpaal, maar geen stroom afnam. Volgens hem was het voertuig in strijd met het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Rvv) geparkeerd en had de controleur een Mulderboete moeten opleggen in plaats van een naheffingsaanslag.

De rechtbank oordeelde echter dat parkeren in de zin van de Parkeerverordening betrekking heeft op het laten staan van een voertuig op een plek waar dit niet ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is. Het feit dat het voertuig aangesloten was op de laadpaal en op een fiscale parkeerplaats stond, maakte dat sprake was van parkeren waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is. Het ontbreken van daadwerkelijke stroomafname was tijdens controle niet vast te stellen en deed niet af aan de kwalificatie als parkeren.

Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3506
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2022 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [woonplaats] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Breda(de heffingsambtenaar).

1.Inleiding

1.1
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 66,-, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 64,50 aan kosten (hierna: de naheffingsaanslag parkeerbelasting).
1.2
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 juli 2021.
1.3
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 4 augustus 2022 het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

2.Feiten

2.1
De auto met kenteken [kenteken] stond op 2 april 2021 omstreeks 14:05 uur stil op een parkeerplaats aan de Zandberglaan te Breda. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Op de parkeerplaats geldt voor het parkeren van maandag tot en met woensdag, vrijdag en zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur en op donderdag van 09.00 tot 20.00 uur een tarief van € 1,50 per uur. [1] Tijdens de controle met een scanauto op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.2
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.3
Belanghebbende heeft aangevoerd dat geen sprake was van parkeren, omdat de auto stil stond op een plek waarop dat verboden is op grond van artikel 24, eerste lid, onder d, onder 2, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv). De parkeerplaats was uitsluitend bestemd voor het opladen van elektronische personenauto’s. [2] Belanghebbende had zijn voertuig verbonden met de laadpaal, maar nam geen stroom af. Dat is direct herkenbaar aan de kleur blauw van de laadpaal. Nu het voertuig van belanghebbende stond geparkeerd op de parkeerplaats zonder dat hij aan het opladen was, stond de auto van belanghebbende in strijd met het Rvv [3] geparkeerd en was geen sprake van een belastbaar feit. De parkeercontroleur had belanghebbende een Mulderboete kunnen en moeten opleggen. [4]
3.4
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht heeft opgelegd aan belanghebbende.
3.5
In artikel 1, onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2021 (de Parkeerverordening) is vastgesteld dat onder 'parkeren' wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is. Deze definitie is gelijkluidend aan de definitie van parkeren in de zin van artikel 225 van Pro de Gemeentewet. Gelet op deze definitie is voor de vraag of er parkeerbelasting verschuldigd is, bepalend of het laten staan van een voertuig op de betreffende plek ingevolge een wettelijk voorschrift verboden is. Indien het laten staan van een voertuig niet verboden is, is sprake van een fiscale parkeerplaats.
3.6
In artikel 24, eerste lid, onder d, onder 2, van het Rvv staat dat het verboden is om een voertuig te parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven. Belanghebbende stond met zijn auto stil op een parkeervak met bord E04 (‘parkeergelegenheid’) en het onderbord ‘alleen voor opladen elektrische voertuigen’. Op de foto’s van de scanauto is te zien dat het voertuig was aangesloten op de laadpaal. Uit deze feitelijke en uiterlijke omstandigheden mocht de heffingsambtenaar afleiden dat het voertuig zodanig was geparkeerd dat de accu kon opladen en dat dit ook het doel van het parkeren was. Er is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van parkeren in strijd met voornoemd wettelijk voorschrift. Dat feitelijk geen stroom is afgenomen doet hier niet aan af, mede gezien het feit dat dit tijdens een controle moeilijk is vast te stellen. [5] Het voertuig bevond zich op een aangewezen fiscale parkeerplaats met het oog op het doel dat aan deze parkeerplaats was gegeven en daarmee was sprake van parkeren in de zin van de Parkeerverordening en was belanghebbende parkeerbelasting verschuldigd. De uitspraken waar belanghebbende naar verwijst zien niet op een naheffingsaanslag parkeerbelasting of zien niet op dezelfde casus en brengen de rechtbank daarom niet tot een ander oordeel.

4.Conclusie en gevolgen

4.1
Belanghebbende heeft zijn auto geparkeerd op een plaats en tijdstip waar alleen tegen parkeerbelasting geparkeerd mag worden. Uit het voorgaande blijkt dat belanghebbende niet aan die verplichting heeft voldaan. De heffingsambtenaar was daarom bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen. Het beroep is ongegrond.
4.2
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 8 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 (Parkeerverordening)
Artikel 1, onder a, van de Parkeerverordening
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Artikel 4 van Pro de Parkeerverordening
De maatstaf van heffing en het belastingtarief zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2021.
Artikel 8 van Pro de Parkeerverordening
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a en b, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
Reglement verkeersregels en verkeerstekens (1990)(Rvv)
Artikel 24, eerste lid, onder d, onder 2 van het Rvv
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven.

Voetnoten

1.Artikel 4 en Pro 8 van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 en het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021.
2.Belanghebbende verwijst naar: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4257, r.o. 19.
3.Belanghebbende verwijst naar: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5918.
4.Belanghebbende verwijst naar: Gerechtshof Amsterdam 2 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1723 en Gerechtshof Amsterdam 30 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2176, r.o. 5.13.1.
5.Gerechtshof Den Haag 8 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1324, r.o. 5.4.