ECLI:NL:RBZWB:2022:506
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde vaststelling na vaststellingsovereenkomst
De heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg stelde op 5 februari 2020 de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €2.222.000,- voor het kalenderjaar 2020, conform een tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst uit 2018. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde, stellende dat de coronapandemie niet in de waardering was meegenomen. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank onderzocht of belanghebbende nog procesbelang had, gelet op de eerdere vaststellingsovereenkomst en de waardepeildatum van 1 januari 2019, vóór de coronapandemie. De rechtbank concludeerde dat het beroep onvoldoende gronden bevatte om de overeenkomst te doorbreken en verklaarde het beroep daarom ongegrond.
Daarnaast verzocht belanghebbende om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn van twee jaar niet was overschreden en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde vaststelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.