ECLI:NL:RBZWB:2022:510

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
2 februari 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 9114
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75a AwbWet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking WOZ-beschikking en afwijzing immateriële schadevergoeding

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €531.000 voor het kalenderjaar 2020 en legde een aanslag OZB op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.

Tijdens de procedure bleek dat het object al op 30 april 2018 was overgedragen aan een nieuwe eigenaar, waarna de WOZ-beschikking en de aanslag OZB volledig werden ingetrokken. Hierdoor stelde de rechtbank ambtshalve de vraag of belanghebbende nog procesbelang had bij het beroep. Omdat de intrekking een gunstiger resultaat voor belanghebbende uitsloot, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende verzocht daarnaast om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat het bezwaar op 6 maart 2020 was ontvangen en de uitspraak op 2 februari 2022 werd gedaan, waardoor de termijn van twee jaar niet was overschreden. Bovendien waren spanningen en frustraties beëindigd door de intrekking. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.

De rechtbank oordeelde verder dat geen aanleiding bestond voor proceskostenvergoeding, omdat de intrekking niet als tegemoetkoming aan de beroepsgronden kon worden gezien. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig en griffier M.H.A. de Graaf op 2 februari 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 20/9114 WOZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] te [vestigingsplaats], belanghebbende

gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels,
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, verweerder.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van 29 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 531.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaren (OZB) bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op verzoek van de rechtbank een nadere reactie ingediend. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op deze reactie van belanghebbende te reageren.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld bij de rechtbank heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar geeft daarin aan dat uit onderzoek is gebleken dat het object al op 30 april 2018 is overgedragen aan een nieuwe eigenaar. Het WOZ-object is dus niet meer in eigendom bij belanghebbende. Daarop is de in geschil zijnde WOZ-beschikking en de aanslag OZB volledig ingetrokken.
2. Gelet op de intrekking van de WOZ-beschikking en de aanslag OZB ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of belanghebbende nog procesbelang heeft bij dit beroep.
3. Bij brief van 18 oktober 2021 is aan belanghebbende gevraagd wat het procesbelang is bij (voortzetting van) de beroepsprocedure. Belanghebbende heeft op deze brief gereageerd en heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar een veel te hoge waarde heeft toegekend aan het object, zonder rekening te houden met de gevolgen van de coronapandemie.
4. Nu de heffingsambtenaar hangende het beroep de WOZ-beschikking en de aanslag OZB heeft ingetrokken, kan dit beroep niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. Er is namelijk niet langer sprake van een geschil met betrekking tot de door de heffingsambtenaar opgelegde WOZ-beschikking en de aanslag OZB. Het beroep zal daarom wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Belanghebbende heeft nog wel belang bij een oordeel van de rechtbank ten aanzien van zijn verzoek om immateriële schadevergoeding. Daartoe dient te worden vastgesteld of de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep, die twee jaar bedraagt, is overschreden. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift op 6 maart 2020 door de heffingsambtenaar is ontvangen en dat de rechtbank op 2 februari 2022 uitspraak doet. Daaruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Noch daargelaten dat de eventuele spanningen en frustraties bij belanghebbende al waren beëindigd op het moment dat de WOZ-beschikking en de aanslag OZB zijn ingetrokken. Belanghebbende heeft geen recht op immateriële schadevergoeding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
6. Op grond van jurisprudentie kan er bij niet-ontvankelijkverklaring wegens vervallen van procesbelang grond zijn voor een proceskostenveroordeling naar analogie met artikel 8:75a van de Awb als het procesbelang is verloren omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. [1]
7. Uit het feit dat de heffingsambtenaar, naar aanleiding van de (late) melding van belanghebbende zelf dat zij geen eigenaar (meer) is van het WOZ-object, buiten het beroep om (ambtshalve) de WOZ-beschikking en de aanslag OZB heeft ingetrokken, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van tegemoetkoming aan de gronden van beroep tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 2 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb Pro). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Hoge Raad, 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988.