ECLI:NL:RBZWB:2022:510
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking WOZ-beschikking en afwijzing immateriële schadevergoeding
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €531.000 voor het kalenderjaar 2020 en legde een aanslag OZB op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de procedure bleek dat het object al op 30 april 2018 was overgedragen aan een nieuwe eigenaar, waarna de WOZ-beschikking en de aanslag OZB volledig werden ingetrokken. Hierdoor stelde de rechtbank ambtshalve de vraag of belanghebbende nog procesbelang had bij het beroep. Omdat de intrekking een gunstiger resultaat voor belanghebbende uitsloot, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende verzocht daarnaast om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat het bezwaar op 6 maart 2020 was ontvangen en de uitspraak op 2 februari 2022 werd gedaan, waardoor de termijn van twee jaar niet was overschreden. Bovendien waren spanningen en frustraties beëindigd door de intrekking. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De rechtbank oordeelde verder dat geen aanleiding bestond voor proceskostenvergoeding, omdat de intrekking niet als tegemoetkoming aan de beroepsgronden kon worden gezien. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig en griffier M.H.A. de Graaf op 2 februari 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.