ECLI:NL:RBZWB:2022:5250

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 september 2022
Publicatiedatum
9 september 2022
Zaaknummer
BRE-22_2393_2394
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AWRArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen afwijzing ambtshalve vermindering aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007 niet-ontvankelijk verklaard

Belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006 en 2007. De inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende bezwaar maakte. De inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk omdat op grond van artikel 65 AWR Pro tegen de afwijzing van een verzoek tot ambtshalve vermindering geen bezwaar openstaat.

Belanghebbende ging in beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank oordeelde dat de beroepen kennelijk ongegrond zijn en deed uitspraak zonder zitting. De rechtbank bevestigde dat de beslissing op grond van artikel 65 AWR Pro niet voor bezwaar en beroep vatbaar is, waardoor de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

De rechtbank wees erop dat rechtsmiddelen bij de civiele rechter kunnen worden aangewend en dat geen aanleiding bestaat tot proceskostenveroordeling. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/2393 en 22/2394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2022 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

De inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Procesverloop

Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2006 en 2007, met aanslagnummers [aanslagnummer 1] en [aanslagnummer 2] .
De inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 26 april 2022 zijn de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de afwijzing op het verzoek om ambtshalve vermindering geen bezwaar open staat.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen. Belanghebbende stelt dat aan het verzoek tot vermindering van de aanslagen regularisatiebesluiten van de Sociale verzekeringsbank van 15 februari 2022 aan ten grondslag liggen.

Overwegingen

Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom de beroepen kennelijk ongegrond zijn.
De beslissing om de aanslagen niet ambtshalve te verminderen is een beslissing op grond van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Een dergelijke beslissing is niet voor bezwaar en beroep vatbaar. De inspecteur heeft de bezwaren dus terecht niet-ontvankelijk verklaard [1] . Het hiertegen gerichte beroep is dus ongegrond. Rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij de civiele rechter.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 9 september 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3051