Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, ondernemer voor de omzetbelasting, kreeg voor de periode mei 2015 tot en met december 2016 een naheffingsaanslag van €37.664 opgelegd, inclusief belastingrente en een vergrijpboete van €17.457. De inspecteur stelde dat voorbelasting op facturen van een derde onderneming vals was en niet in aftrek mocht worden gebracht.
Tijdens het boekenonderzoek en derdenonderzoek verklaarde de bestuurder van de derde onderneming dat er geen werkzaamheden waren verricht en dat een door belanghebbende overgelegde verklaring niet door hem was ondertekend. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de voorbelasting terecht was afgetrokken.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en dat sprake was van grove schuld en opzet bij belanghebbende, waardoor de boete passend was. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 1,5 jaar matigde de rechtbank de boete met 15%, waardoor deze werd vastgesteld op €14.838.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en boetebeschikking bleven in stand, maar de boete werd verminderd. Belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De naheffingsaanslag en vergrijpboete worden bevestigd, met matiging van de boete tot €14.838 wegens overschrijding redelijke termijn.