Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting die was vastgesteld op basis van een nalatenschap met een vordering van circa €194.911. De inspecteur had de aanslag verminderd, maar hield vast aan de omvang van de vordering. Belanghebbende stelde dat de vordering slechts €20.000 bedroeg en mogelijk verjaard was, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht was uitgegaan van de door belanghebbende zelf opgegeven gegevens in het aangiftebiljet, inclusief de vordering, en dat de latere ingediende aangifte niet tot het vervallen van de omkering en verzwaring van de bewijslast leidde. De vaststellingsovereenkomst tussen de erfgenamen bood geen bewijs voor een lagere vordering.
Uiteindelijk werd de aanslag verminderd tot een belaste verkrijging van €52.537, waarbij de verzuimboete in stand bleef. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden aangevochten.
Uitkomst: De aanslag erfbelasting wordt verminderd tot een belaste verkrijging van €52.537 en het beroep wordt gegrond verklaard.