Belanghebbende deed voor het jaar 2011 geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur legde een aanslag op op basis van een ambtshalve vaststelling. Zowel rechtbank als hof stelden vast dat belanghebbende geen aanmaning tot aangifte had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat er geen reden was voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet kon worden verweten dat hij niet binnen de termijn aangifte had gedaan. Het hof oordeelde echter dat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende geen aangifte had gedaan, en vond dat de inspecteur niet hoefde aan te tonen dat een aanmaning was verstuurd.
De Hoge Raad stelde vast dat artikel 27e, lid 1, AWR vereist dat de belastingplichtige niet alleen is uitgenodigd, maar ook aangemaand moet zijn tot het doen van aangifte binnen een gestelde termijn. Het hof had dit miskend. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoeden.