Eiser heeft voor zijn twee kinderen in de eerste helft van 2018 kinderopvang gebruikt en diende op 20 december 2019 een aanvraag in voor kinderopvangtoeslag over 2018. De Belastingdienst wees deze aanvraag af vanwege het niet tijdig indienen, waarbij zij zich baseerde op de wettelijke termijn van drie maanden terugwerkende kracht.
Eiser voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de regeling en dat de toeslag een tegemoetkoming is waar iedereen recht op heeft. Ook stelde hij dat de termijn in het primaire besluit afweek van die in het bestreden besluit en dat hij aan de overige voorwaarden voldeed.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat de wettelijke termijn van drie maanden strikt is en geen uitzonderingen toestaat. De omstandigheid dat eiser niet eerder op de hoogte was, noch de korte opvangperiode of het betaalde bedrag, rechtvaardigen geen afwijking van deze termijn.
De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde eiser niet in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 28 september 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.