ECLI:NL:RBZWB:2022:5707
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens vermeende storing parkeerautomaten
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 67,95 opgelegd omdat hij volgens eigen zeggen meerdere pogingen moest doen bij verschillende parkeerautomaten voordat hij een parkeerkaart kon kopen. De heffingsambtenaar stelde dat een redelijke termijn voor betaling vijf minuten is en dat de controleur geen aanwijzingen had van storingen of wachtrijen bij de parkeerautomaten.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het niet voldoen van de parkeerbelasting in eerste instantie bij de heffingsambtenaar ligt, maar dat belanghebbende tegenbewijs kan leveren. Hoewel belanghebbende een betalingsbewijs overlegd waarop staat dat hij om 11:07 uur betaalde, was dit 21 minuten na het constateren van het ontbreken van betaling om 10:46 uur.
De rechtbank achtte de enkele stelling van belanghebbende over wachtrijen en storingen onvoldoende om aan te nemen dat hij binnen een redelijke termijn niet kon betalen. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert en griffier A.S. Wiskerke-Hovanesian op 29 september 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.