Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.Het geschil
- Primair: de ontruiming van de woning aan [woonadres eiser] te schorsen voor zolang er geen onherroepelijke uitspraak is ten aanzien van de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning;
- Subsidiair: de ontruiming op te schorten voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;
- de Stichting te veroordelen in de proceskosten.
3.De beoordeling
- tussen partijen bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning, staande en gelegen aan de [woonadres eiser] (hierna: de woning);
- in een bodemprocedure tussen partijen over onder meer de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft de kantonrechter in een vonnis van 13 juli jl. het volgende overwogen:
- [eiser] heeft op 25 augustus 2022 een hoger beroep dagvaarding doen betekenen, waarbij de Stichting is gedagvaard tegen 27 september 2022;
- [eiser] heeft de Stichting verzocht de ontruiming op te schorten hangende het hoger beroep, de Stichting heeft dit verzoek van de hand gewezen;
- in de bodemprocedure is niet voldaan aan de meldingsplicht volgend uit art. 2 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening;
- de Stichting is bereid om de executie van het vonnis op te schorten in afwachting van de uitkomst van dit kort geding.