ECLI:NL:RBZWB:2022:5781
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen invorderingskosten en WOZ-waarde woning 2019-2021
Belanghebbende maakte beroep tegen de invorderingskosten voor gemeentelijke en waterschapsbelastingen over de jaren 2019, 2020 en 2021, alsmede tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor 2021. De rechtbank beoordeelde eerst het WOZ-besluit, waarbij de heffingsambtenaar een waarderapport overlegde dat de waarde van €420.000 onderbouwde via de vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat de waardebepaling volgens de wettelijke normen was uitgevoerd. De door belanghebbende aangevoerde alternatieve waarderingsmethoden en bezwaren tegen de verkoopwaarde werden verworpen.
Vervolgens werd het beroep tegen de invorderingskosten behandeld. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende de aanslagen niet had betaald en ook geen uitstel had gevraagd, waardoor de invorderingskosten terecht waren opgelegd conform de Kostenwet invordering rijksbelastingen. De aanmaningskosten en kosten voor betekening van dwangbevel waren vastgesteld volgens de wettelijke regels. Bezwaren van belanghebbende over de controleerbaarheid van de kosten en communicatie werden niet als gegronde beroepsgronden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de WOZ-waarde en tegen de invorderingskosten ongegrond en bevestigde daarmee de besluiten van de heffings- en invorderingsambtenaar. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Peters op 27 oktober 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De beroepen tegen de invorderingskosten en de vastgestelde WOZ-waarde worden ongegrond verklaard.