Eiser werd door zijn zorgverzekeraar aangemeld als wanbetaler bij het CAK, waarna het CAK een besluit nam dat eiser een bestuursrechtelijke premie van €152,20 per maand moet betalen. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het CAK verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat bezwaar tegen de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet mogelijk is volgens de Zorgverzekeringswet en vaste rechtspraak.
De rechtbank bevestigt dat de aanmelding als wanbetaler door de zorgverzekeraar correct in het dossier is opgenomen en dat eiser zich tot de zorgverzekeraar moet wenden indien hij het niet eens is met deze aanmelding. De rechtbank benadrukt dat het CAK verplicht is de premie te innen zolang de zorgverzekeraar niet meldt dat de aanmelding onterecht is.
Eiser betoogt dat het CAK niet heeft gemotiveerd hoe de premie is berekend en dat hij niet te laat heeft betaald, maar de rechtbank oordeelt dat bezwaar tegen de hoogte van de premie niet mogelijk is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.