Belanghebbende, woonachtig in Oostenrijk, kreeg een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd over 2017, berekend op een belastbaar inkomen van €33.092. De inspecteur stelde de aanslag vast nadat geen aangifte was ontvangen en verlaagde deze ambtshalve tot €19.260, met een overeenkomstige vermindering van de belastingrente tot €96.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar waarin de inspecteur het verzoek om verdere vermindering van de aanslag en belastingrente ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks dat het beroepschrift na de termijn was ontvangen, omdat het tijdig was gepost.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de belastingrente terecht was berekend over de periode van 1 juli 2018 tot 21 oktober 2020, conform de wettelijke bepalingen. De stelling van belanghebbende dat de belastingdienst hem te laat had uitgenodigd tot aangifte en dat de uitnodiging naar een onjuist adres was gestuurd, leidde niet tot vermindering van de belastingrente. De rechtbank stelde dat belanghebbende zelf de plicht had tijdig aangifte te doen.
Verder wees de rechtbank erop dat stellingen over belastingrente voor latere jaren buiten de reikwijdte van deze procedure vallen en dat bezwaar tegen aanmanings- en betekeningskosten niet via deze procedure kan worden behandeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag en belastingrente gehandhaafd, en belanghebbende kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.