Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Conclusie en gevolgen
4.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag fijnstoftoeslag over de periode van 25 juni 2020 tot en met 24 september 2020, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in tegen deze beslissing. Tijdens de beroepsprocedure vernietigde de inspecteur de naheffingsaanslag fijnstoftoeslag.
Belanghebbende gaf later aan dat het geschil uitsluitend nog betrekking had op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De rechtbank behandelde dit verzoek op zitting, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde afwezig waren.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen recht had op proceskostenvergoeding, omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard en de rechtbank bovendien niet bevoegd was om te oordelen over het verzoek om ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslag. De inspecteur was weliswaar tegemoetgekomen aan de grieven van belanghebbende, maar dit leidde niet tot een gegrond beroep. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het beroep niet gegrond is en de rechtbank niet bevoegd is.