Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 19 oktober 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,
Procesverloop
Overwegingen
Beoordeling
Conclusie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout om het persoonsgebonden budget (pgb) tarief voor haar zorgverlener te verlagen van een formeel naar een informeel tarief. Dit besluit was gebaseerd op het niet voldoen van de zorgverlener aan de gestelde kwaliteitseisen, waaronder diploma-eisen en vervangingsmogelijkheden.
Verzoekster betoogde dat het college niet bevoegd was tot het vaststellen van tarieven via een uitvoeringsbesluit en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. Ook stelde zij dat haar zorgverlener niet binnen enkele maanden aan de kwaliteitseisen kon voldoen, waardoor de verlaging van het tarief zou leiden tot het staken van de werkzaamheden en ernstige nadelige gevolgen voor haar zou hebben.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief waarin het tarief werd verlaagd geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht vormde en dat het bezwaar waarschijnlijk niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Tevens was het verzoek niet connex aan het nieuwe besluit van 23 september 2022, waarin de indicatie werd verlengd tegen het informele tarief. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van het pgb-tarief van formeel naar informeel wordt afgewezen.