Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser
Inleiding
Overwegingen
Feiten.
Standpunt van eiser.
Beoordeling van de rechtbank.
Conclusie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser ontvangt sinds 2016 een bijstandsuitkering en kreeg deze herzien en teruggevorderd door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal (ISD) vanwege de toepassing van de kostendelersnorm. De ISD stelde vast dat eisers zoon sinds 14 juni 2019 op een ander adres staat ingeschreven, maar onderzoek wees uit dat hij feitelijk zijn hoofdverblijf bij eiser had. Dit leidde tot herziening van de uitkering en terugvordering van een deel van het bedrag.
Eiser voerde aan dat de ISD onvoldoende onderzoek had gedaan, zoals het nalaten van een buurtonderzoek en het ontbreken van foto’s van waarnemingen. Ook stelde hij dat er sprake was van ernstige persoonlijke en medische omstandigheden die terugvordering onaanvaardbaar maakten. De rechtbank oordeelde dat op grond van het onderzoek en de erkende bezoeken van de zoon voldoende was komen vast te staan dat de kostendelersnorm van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat zijn zoon zijn hoofdverblijf bij hem had. De medische gegevens van eiser ondersteunden niet dat hij zelf zorg nodig had, en volgens vaste jurisprudentie staat een zorgbehoefte niet aan toepassing van de kostendelersnorm in de weg. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen zou leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.