De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 4 februari 2022 het bezwaarschrift van een minderjarige veroordeelde tegen het bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, opgelegd na zijn veroordeling voor medeplegen van diefstal met geweld. Veroordeelde voerde aan dat het misdrijf een incident was en dat de afname disproportioneel was gezien zijn leeftijd en omstandigheden, en beroept zich op de uitzonderingsbepaling van artikel 2, eerste lid, sub b van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.
De rechtbank overwoog dat de Wet beoogt DNA-onderzoek in te zetten ter efficiënte opsporing en voorkoming van strafbare feiten, en dat een bevel tot DNA-afname standaard wordt gegeven tenzij een uitzonderingssituatie zich voordoet. De rechtbank stelde vast dat het gepleegde misdrijf niet van dien aard is dat DNA-onderzoek niet van belang kan zijn en dat er geen objectief waardeerbare omstandigheden zijn die het onderzoek onrechtvaardigen. Ook het recidivegevaar werd niet als gering beoordeeld, mede gezien eerdere veroordelingen en een lopende zaak.
Formeel was het bezwaarschrift tijdig en ontvankelijk. Materieel concludeerde de rechtbank dat aan de wettelijke vereisten voor DNA-afname was voldaan en dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard. De beslissing werd op 18 februari 2022 uitgesproken door rechter A. Hello, en er staan geen rechtsmiddelen tegen open.