Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 waarbij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) werd geweigerd. De inspecteur verleende de iack niet omdat niet was aangetoond dat belanghebbende een kind jonger dan 12 jaar op hetzelfde adres had staan ingeschreven.
Belanghebbende verscheen niet op de zitting. Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat geen kind van belanghebbende op het adres was ingeschreven. Belanghebbende stelde slechts dat hij een kind had, maar leverde geen bewijs. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende lag en dat hij niet aannemelijk had gemaakt aan de voorwaarden te voldoen.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel, stellende dat een medewerker van de Belastingdienst hem had toegezegd recht te hebben op de iack. Dit werd door de inspecteur gemotiveerd betwist. Belanghebbende kon dit niet aannemelijk maken, waardoor het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde.
Ook het argument dat in voorgaande jaren de iack was toegekend, werd als onvoldoende onderbouwing beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook de belastingrente toe. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de inkomensafhankelijke combinatiekorting 2018 wordt ongegrond verklaard.