ECLI:NL:RBZWB:2022:6572

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
AWB- 22_4021
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar toeslagen

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) over 2009 en 2011. De Belastingdienst heeft niet binnen de wettelijke termijn van twaalf weken beslist op dit bezwaar, waardoor eiseres een ingebrekestelling heeft gestuurd. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden.

De rechtbank bepaalt dat de Belastingdienst binnen vijf weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank stelt de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling.

De rechtbank wijst het verzoek van de Belastingdienst af om de termijn te verlengen met de periode waarin de herbeoordeling niet kan plaatsvinden door toedoen van eiseres. Ook wordt geoordeeld dat er voor deze zaak een afzonderlijke dwangsom geldt, omdat deze inhoudelijk niet samenhangt met andere zaken over andere regelingen.

Tot slot wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De rechtbank kwalificeert de zaak als licht en kent een proceskostenvergoeding toe van € 379,50.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de Belastingdienst op binnen vijf weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4021

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 8 maart 2022 tegen de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) over 2009 en 2011 van 18 februari 2022.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 8 maart 2022. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Dat staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.
Verweerder had dus uiterlijk op 24 juni 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is daarom voorbij. Eiseres heeft verweerder op 25 juli 2022 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 27 juli 2022 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Het beroep is kennelijk gegrond.
Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven.
In het verweerschrift van 3 oktober 2022 heeft verweerder met een beroep op artikel 8:55d, derde lid, van de Awb gevraagd om een langere termijn van tien weken.
Verweerder heeft aangegeven dat hij deze tijd nodig heeft voor een zorgvuldige behandeling en dat de huidige situatie met betrekking tot het grote aantal bezwaren bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, dat voortvloeit uit het grote aantal verzoeken om herbeoordeling, leidt tot vertraging in de afhandeling. Verder heeft verweerder toegelicht welke processtappen genomen moeten worden en hoeveel tijd hiermee gepaard zal gaan.
Verweerder heeft verzocht om te bepalen dat deze termijn wordt verlengd met de periode waarin de herbeoordeling geen doorgang kan vinden door toedoen van eiseres.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen bezwaren.
In dit geval acht de rechtbank een termijn van vijf weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat sinds het indienen van het verweerschrift reeds enige tijd is verstreken. De rechtbank zal daarbij niet bepalen dat deze termijn wordt verlengd met vertraging door toedoen van eiseres, zoals door verweerder verzocht. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding omdat een dergelijke bepaling te onbepaald is en geen duidelijkheid biedt aan partijen over de geldende termijn.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Eiseres heeft daarnaast verzocht om de bestuurlijke dwangsom uit paragraaf 4.1.3.2 van de Awb vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. Dat staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
Verweerder heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld omdat hij van mening is dat hij slechts één dwangsom voor alle beroepen van eiseres verschuldigd is. Verweerder voert hiertoe aan dat op basis van artikel 4:17 Awb Pro er evenveel dwangsommen zullen moeten worden uitgekeerd als er besluiten moeten worden genomen (mits overigens voldaan aan 4:17 Awb). Volgens vaste jurisprudentie geldt er een uitzondering voor die situaties waarin aanvragen, inclusief bezwaarschriften, (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van dit artikel tot gevolg heeft dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Verweerder wijst op CRvB 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en CRvB 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3079. Hij is van mening dat de in die uitspraak geschetste situatie zich hier voordoet, althans in ieder geval voor de zaken 22/4020 en 22/4021 (deze zaak). Van belang is, volgens verweerder, dat eiseres één aanvraag heeft ingediend.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet. De rechtbank overweegt hierbij dat deze zaak inhoudelijk niet zodanig samenhangt met de zaken 20/2779 en 20/4020 dat er sprake is van een uitzondering op artikel 4:17 Awb Pro. De zaken hebben namelijk betrekking op verschillende herstelregelingen uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), die elk hun eigen toetsingskader hebben. De zaken 22/2779 en 22/4020 hebben betrekking op de compensatieregeling uit artikel 49b van de Awir en deze zaak heeft betrekking op de O/GS-tegemoetkomingsregeling uit artikel 49c van de Awir. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er afzonderlijke dwangsommen zijn verbeurd.
De rechtbank stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 27 juli 2022 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsom heeft verbeurd.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht (wegingsfactor 0,5), gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 379,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vijf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 7 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.