Appellant diende op 26 november 2015 een aanvraag in voor bijzondere bijstand ter tegemoetkoming van het eigen risico van de zorgverzekering over 2014 en 2015. Het college besloot op 1 maart 2016 over 2015 en op 15 september 2016 over 2014. Appellant stelde dat het college ook na 1 maart 2016 dwangsommen had verbeurd wegens het niet tijdig beslissen over 2014.
De rechtbank oordeelde dat het college met het besluit van 1 maart 2016, zij het onvolledig, op de aanvraag had beslist en dat daarom geen verdere dwangsommen verschuldigd waren. In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak en verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1815) waarin werd bepaald dat bij gelijktijdig ingediende en inhoudelijk samenhangende aanvragen slechts één dwangsom verschuldigd is.
De Raad overwoog dat het feit dat de regeling voor 2015 bestond en voor 2014 niet, aan de samenhang niets afdoet. Het college had tijdig, zij het onvolledig, beslist en appellant had een effectief rechtsmiddel via bezwaar. Het hoger beroep werd verworpen en het college werd veroordeeld in de proceskosten.