ECLI:NL:RBZWB:2022:682
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht ondanks betalingsonmacht
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde van een pand. Hiervoor was griffierecht van €360 verschuldigd. Belanghebbende heeft meerdere malen een beroep gedaan op betalingsonmacht om betaling van het griffierecht uit te stellen of kwijt te schelden.
De griffier heeft belanghebbende en diens gemachtigde herhaaldelijk verzocht het griffierecht te voldoen en de betalingsonmacht te onderbouwen. Ondanks meerdere brieven en aanmaningen is het griffierecht slechts gedeeltelijk betaald. De rechtbank heeft op basis van de ingebrachte gegevens geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van betalingsonmacht. De enkele draagkrachtverklaring van het kantoor van de gemachtigde was onvoldoende.
De rechtbank volgt de jurisprudentie dat ook rechtspersonen een beroep op betalingsonmacht kunnen doen, maar daarbij ook de draagkracht van bestuurders en aandeelhouders moet worden betrokken. Dit was in deze zaak niet aannemelijk gemaakt. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn, maar de rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat geen termijnoverschrijding is vastgesteld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht ondanks herhaalde beroepen op betalingsonmacht.