Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1989 met een inhoud van 418 m3 en een perceel van 149 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €244.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin vergelijkingsobjecten werden gebruikt die qua bouwjaar en KOUDV-factoren vergelijkbaar zijn.
Belanghebbende trok zijn bezwaren tegen de referentieobjecten in tijdens de zitting, maar voerde nieuwe bezwaren aan over de inhoud van een vergelijkingsobject en de gehanteerde indexeringspercentages. De rechtbank verwierp deze bezwaren wegens onvoldoende onderbouwing en gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar. Ook het bezwaar over de waarde van een brandgang werd verworpen omdat vergelijkingsobjecten ook een brandgang hadden.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Wel wordt belanghebbende een vergoeding van €1.000 toegekend voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de beroepsfase. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten deels vergoed door de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid.