Eiser vroeg op 8 april 2020 een lening aan op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) voor bedrijfskapitaal van €10.157,-, waaronder kosten voor een opleiding, autoonderhoud en deurwaarderskosten. Het college kende een lening toe van €2.020,45, omdat eiser slechts voor dat bedrag lopende zakelijke kosten kon aantonen over maart tot en met mei 2020.
Eiser maakte bezwaar tegen het primaire besluit en stelde dat de opleidings- en autokosten wel lopende kosten waren en dat de deurwaarderskosten driemaal moesten worden meegenomen. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de opleidingskosten uit september 2019 en autokosten uit februari 2019 lopende verplichtingen waren ten tijde van de aanvraag. Ook was niet aannemelijk dat deurwaarderskosten €900 bedroegen of maandelijks terugkeerden.
De rechtbank stelde dat de bewijslast voor het aantonen van een liquiditeitsprobleem en lopende verplichtingen bij eiser lag. Gezien het ontbreken van bewijs voor lopende verplichtingen hoefde het college geen aanvullende lening toe te kennen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.