Verzoeker, werkzaam als jeugdwerker, kreeg op 29 december 2020 een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Breda, dat van kracht was tot 15 januari 2021. Dit besluit werd later geschorst door de voorzieningenrechter en uiteindelijk ingetrokken op 18 maart 2021, omdat het onterecht was genomen.
Verzoeker stelde schade te hebben geleden door het onrechtmatige gebiedsverbod en vorderde vergoeding van advocaatkosten, gederfde inkomsten en immateriële schade. De rechtbank oordeelde dat het gebiedsverbod onrechtmatig was, maar wees de vergoeding van advocaatkosten af vanwege de exclusieve regeling van proceskosten in de Awb. Ook oordeelde de rechtbank dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn ziekmelding en gederfde inkomsten het gevolg waren van het gebiedsverbod, mede gezien zijn aanhouding en andere omstandigheden.
Wel werd vastgesteld dat verzoeker immateriële schade had geleden door aantasting van zijn eer en bewegingsvrijheid. Gezien de korte duur van het gebiedsverbod en de omstandigheden werd de immateriële schadevergoeding vastgesteld op €1.000. Daarnaast werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van verzoeker.