ECLI:NL:RBZWB:2022:7221

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
AWB- 21_5435
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:162 BWArt. 6:95 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens onrechtmatig opgelegd gebiedsverbod afgewezen behalve immateriële schade

Verzoeker, werkzaam als jeugdwerker, kreeg op 29 december 2020 een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Breda, dat van kracht was tot 15 januari 2021. Dit besluit werd later geschorst door de voorzieningenrechter en uiteindelijk ingetrokken op 18 maart 2021, omdat het onterecht was genomen.

Verzoeker stelde schade te hebben geleden door het onrechtmatige gebiedsverbod en vorderde vergoeding van advocaatkosten, gederfde inkomsten en immateriële schade. De rechtbank oordeelde dat het gebiedsverbod onrechtmatig was, maar wees de vergoeding van advocaatkosten af vanwege de exclusieve regeling van proceskosten in de Awb. Ook oordeelde de rechtbank dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn ziekmelding en gederfde inkomsten het gevolg waren van het gebiedsverbod, mede gezien zijn aanhouding en andere omstandigheden.

Wel werd vastgesteld dat verzoeker immateriële schade had geleden door aantasting van zijn eer en bewegingsvrijheid. Gezien de korte duur van het gebiedsverbod en de omstandigheden werd de immateriële schadevergoeding vastgesteld op €1.000. Daarnaast werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De burgemeester wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 wegens immateriële schade door het onrechtmatig opgelegde gebiedsverbod, overige schadevergoedingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/5435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2022 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Salhi),
en

De burgemeester van de gemeente Breda (verweerder)

(gemachtigde: mr. S. Djodikromo).

Inleiding

1. Op 14 juli 2021 heeft verzoeker de burgemeester verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden wegens een ten onrechte aan hem opgelegd gebiedsverbod.
1.1.
Op 9 december 2021 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de schade.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

2. Verzoeker werkte als jeugdwerker onder meer in de wijk [adres] te [plaatsnaam] .
2.1.
Bij besluit van 29 december 2020 heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 172a van de Gemeentewet een gebiedsverbod opgelegd, inhoudende dat verzoeker zich in de periode van 29 december 2020 tot 15 januari 2021 niet in het op een bijgevoegd kaartje aangegeven gebied mag bevinden. Tot dat gebied hoort de wijk [adres] .
2.2.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 31 december 2020 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het besluit van 29 december 2020 geschorst.
2.3.
Bij besluit van 18 maart 2021 heeft de burgemeester het besluit tot het opleggen van het gebiedsverbod ingetrokken. Volgens de burgemeester was dat besluit niet terecht genomen.
2.4.
Verzoeker heeft het bezwaar gehandhaafd en erop gewezen dat hij schade heeft geleden als gevolg van het gebiedsverbod.
2.5.
Bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2021 heeft de burgemeester het bezwaar van verzoeker onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
2.6.
Op 14 juli 2021 heeft verzoeker de burgemeester verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden wegens het ten onrechte aan hem opgelegde gebiedsverbod.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om schadevergoeding van verzoeker.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Verzoeker heeft de rechtbank verzocht de burgemeester te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens het ten onrechte aan verzoeker opgelegde gebiedsverbod.
3.3.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 29 december 2020, waarbij aan verzoeker een gebiedsverbod is opgelegd, onrechtmatig is. Partijen verschillen van mening over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag verzoeker schade heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatige besluit.
3.5.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er bij de toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Het is aan een verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van de schade en de omvang ervan ligt in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden. [1]
3.6.
Verzoeker heeft gevraagd om vergoeding van advocaatkosten, van gederfde inkomsten en van immateriële schade.
Advocaatkosten
3.7.
Verzoeker heeft een vergoeding gevraagd voor advocaatkosten tot een bedrag van
€ 4.356,-. Ter onderbouwing daarvan heeft hij gewezen op een factuur van 10 januari 2021. Ter zitting is toegelicht dat deze kosten een voorschot waren op de kosten van de bezwaarprocedure.
3.8.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van deze kosten af. De grondslag voor veroordeling door de bestuursrechter in de proceskosten is gelegen in artikel 8:75 van Pro de Awb. Deze bepaling is een lex specialis ten opzichte van de in artikel 8:88 van Pro de Awb geregelde verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor het verkrijgen van schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is er voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van Pro de Awb geen plaats, ook niet van proceskosten die buiten het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vallen of de vergoeding van artikel 8:75 van Pro de Awb te boven gaan. [2] Dat, zoals verzoeker heeft gesteld, de werkelijke kosten hoger waren dan het forfaitaire tarief en de kosten het gevolg zijn van een onrechtmatig besluit, maakt dat niet anders.
Gederfde inkomsten
3.9.
Verzoeker heeft gesteld dat hij zich op 8 februari 2021 heeft ziekgemeld. Zijn werkgever heeft hem vervolgens in de periode van 8 februari 2021 tot 10 september 2021 slechts 70% van zijn salaris betaald. Verzoeker heeft dan ook schade geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. Dit bedrag heeft hij begroot op € 5.000,-.
3.10.
Ten aanzien van dit deel van de door verzoeker gestelde schade dient de rechtbank eerst te beoordelen of deze schade in zodanig verband staat met het besluit van 29 december 2020, dat zij aan de burgemeester, als een gevolg van dat besluit, kan worden toegerekend.
3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is verzoeker er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dat het geval is. Verzoeker heeft de aard van de klachten die tot de ziekmelding hebben geleid niet inzichtelijk gemaakt en niet (met stukken) onderbouwd. Los daarvan heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de klachten die tot de ziekmelding hebben geleid zijn veroorzaakt door het besluit waarbij aan verzoeker het gebiedsverbod is opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit door verzoeker overgelegde publicaties volgt dat verzoeker op 15 december 2020 is aangehouden door de politie op verdenking van valsheid in geschrifte, verduistering en oplichting. Hierover is berichtgeving in de media verschenen. Berichtgeving op internet over de aanhouding was zodanig dat het verband met verzoeker eenvoudig kon worden gelegd. Na zijn aanhouding is verzoeker in verzekering gesteld en is hij op 18 december 2020 heengezonden. Verzoeker moest op 3 juni 2022 verschijnen voor de strafrechter. De behandeling is aangehouden omdat het openbaar ministerie nader onderzoek dient te doen, aldus de door verzoeker overgelegde publicaties. De rechtbank acht in het licht van die omstandigheden, alsmede het tijdsverloop tussen het besluit van 29 december 2020 en de ziekmelding op 8 februari 2021 en het feit dat ten tijde van de ziekmelding het besluit van 29 december 2020 al was geschorst door de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ziekmelding (volledig) het gevolg is geweest van het besluit waarbij aan verzoeker het gebiedsverbod is opgelegd. Dat (ook) andere omstandigheden, zoals de omstandigheid dat de burgemeester verzoekers werkgever over het gebiedsverbod heeft geïnformeerd, tot de ziekmelding hebben geleid strookt ook met het verzoek om schadevergoeding zelf. Daarin is vermeld “alle omstandigheden die zich in het afgelopen jaar hebben voorgedaan hebben ertoe geleid dat verzoeker thans ziek thuis zit”.
3.12.
Omdat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de inkomstenderving het directe gevolg is van het onrechtmatige besluit tot oplegging van een gebiedsverbod, wijst de rechtbank dit deel van verzoekers verzoek om schadevergoeding af.
Immateriële schade
3.13.
Verzoeker heeft tot slot verzocht om vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Deze schade heeft hij begroot op € 6.500,-. Verzoeker heeft – samengevat – aangevoerd dat hij is beperkt in zijn bewegingsvrijheid en dat zijn eer en goede naam is geschaad.
3.14.
De rechtbank overweegt dat een gebiedsverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van verzoeker impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat verzoeker als gevolg van het hem opgelegde gebiedsverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. [3] Daarnaast is verzoeker door het gebiedsverbod enigszins beperkt in zijn bewegingsvrijheid. Ook als gevolg daarvan is sprake van enige aantasting van de persoon van verzoeker als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het BW.
3.15.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van € 6.500,- overweegt de rechtbank dat verzoeker dit bedrag niet heeft onderbouwd, anders dan met de algemene stelling dat dit bedrag zou volgen uit de rechtspraak. Dat betekent niet dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade volledig wordt afgewezen. De rechtbank stelt de schadevergoeding in verband met deze aantasting zelf vast op € 1.000,-. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het gebiedsverbod feitelijk slechts heeft geduurd van 29 december 2020 tot 31 december 2020, de datum waarop de voorzieningenrechter het besluit waarbij het gebiedsverbod is opgelegd heeft geschorst. De rechtbank neemt daarbij verder in aanmerking dat verzoeker werkte in het gebied waarop het verbod zag en, zoals verzoeker onbetwist heeft gesteld, ook mensen uit zijn sociale netwerk daar wonen.

Conclusie en gevolgen

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade als gevolg van het ten onrechte opgelegde gebiedsverbod.
4.1.
Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen.
4.2.
Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling van de gemachtigde in een procedure bij de rechtbank heeft een waarde van € 759,-. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt de burgemeester tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker tot een bedrag van € 1.000,-;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
  • draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 29 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, luidt:
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
Artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
Artikel 6:95 van Pro het BW luidt:
De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft.
Artikel 6:98 van Pro het BW luidt:
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
Artikel 6:106 van Pro het BW luidt
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. (…)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; (…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3445
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2309
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3148