Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 waarbij de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) niet was toegepast. Hij stelde dat hij recht had op de IACK omdat zijn zoon in 2018 co-ouderschap had met verblijf van minimaal drie dagen per week bij hem. De inspecteur verwierp dit bezwaar omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de zoon doorgaans drie dagen per week bij hem verbleef en omdat sprake was van fiscaal partnerschap.
De rechtbank bevestigde dat een kind voor de IACK op hetzelfde woonadres moet zijn ingeschreven of gelijkgesteld moet worden met inschrijving via co-ouderschap. Belanghebbende had aannemelijk gemaakt dat de zoon drie dagen per week bij hem verbleef, wat voldoet aan de co-ouderschapsnorm. Echter, omdat belanghebbende fiscaal partner was en de meestverdienende partner, kon hij geen aanspraak maken op de IACK.
De rechtbank beoordeelde ook het goedkeurende beleid voor kortdurend fiscaal partnerschap, dat verruimd was per 27 oktober 2021. Dit beleid vereist dat het kind meer dan zes maanden op hetzelfde adres als belanghebbende staat ingeschreven, wat niet het geval was. Bovendien kon de partner de IACK wel toepassen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de aanslag ongewijzigd.