Belanghebbende en zijn ex-partner zijn ouders van twee kinderen die in 2016 nog geen twaalf jaar waren. De kinderen stonden in dat jaar ingeschreven op het adres van de ex-partner, maar verbleven afwisselend bij beide ouders. Belanghebbende vroeg om toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack), welke door de Inspecteur werd geweigerd. De Rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk, maar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.
Het geschil betrof de uitleg van het doorgaans-criterium in artikel 44b van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, dat bepaalt dat een kind doorgaans ten minste drie hele dagen per week bij een ouder moet verblijven om gelijkgesteld te worden aan inschrijving in de basisregistratie personen. Het Hof oordeelde dat dit criterium over een periode van ten minste zes maanden in het kalenderjaar moet worden beoordeeld, waarbij geen aaneengesloten periode vereist is.
De Hoge Raad overwoog dat de delegatiebepaling in artikel 8:14a, lid 1, Wet IB 2001 de ministeriële regelgever niet verplicht om de gelijkstelling aan inschrijving te beperken tot gevallen die gedurende het hele kalenderjaar bestaan. De wetgever heeft beoogd dat de iack bij coouderschap kan worden genoten indien de zorg gelijkelijk wordt verdeeld. De Hoge Raad bevestigde dat het doorgaans-criterium over ten minste zes maanden geldt en dat het niet nodig is dat het kind gedurende het hele kalenderjaar doorgaans drie dagen per week bij de ouder verblijft.
Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris niet in proceskosten en legde een griffierecht op.