Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 15 februari 2022 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van opzet- dan wel schuldheling van een gestolen crossmotor. De tenlastelegging betrof het verkrijgen, voorhanden hebben of overdragen van een Kawasaki KXF 250 die was gestolen op 10 mei 2018 te Breda.
Twee dagen na de diefstal zagen verbalisanten verdachte rijden op de crossmotor. Toen verdachte de verbalisanten zag, liet hij de motor vallen en vluchtte. De officier van justitie stelde dat dit vluchtgedrag duidde op schuld of opzetheling, omdat verdachte moest weten dat de motor gestolen was.
De verdediging betoogde dat uit het dossier niet kon worden afgeleid dat verdachte op het moment van verkrijging wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motor van diefstal afkomstig was. De rechtbank oordeelde dat het vluchtgedrag op het moment van zien van de verbalisanten geen bewijs vormt voor het tijdstip en de omstandigheden van verkrijging. Andere motieven voor het vluchten waren mogelijk.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Het vonnis werd gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. J.F.C. Janssen, waarbij mr. Janssen niet in de gelegenheid was het vonnis mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van opzet- en schuldheling van een gestolen crossmotor wegens onvoldoende bewijs.