Belanghebbende had in 2016 buitenlandse bankrekeningen niet opgegeven aan de Belastingdienst, wat werd ontdekt in het kader van het project ‘Bank Zonder Naam’. De inspecteur legde een aanslag op met correcties voor binnenlands en buitenlands vermogen en een vergrijpboete van €46.589. Belanghebbende voerde aan dat hij openheid van zaken had gegeven en dat zijn opzet niet gericht was op het verzwijgen van het aan hem gelegateerde vruchtgebruik.
De rechtbank oordeelt dat het niet aangeven van het buitenlandse vermogen opzettelijk was en dat het beroep op beperkte opzet niet slaagt. De boete over het binnenlands vermogen wordt verminderd omdat onvoldoende bewijs is voor opzet. De boete over het buitenlands vermogen blijft gehandhaafd op 150% van de verschuldigde belasting. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim anderhalf jaar wordt de boete met 15% gematigd tot €12.073.
Belanghebbende krijgt geen immateriële schadevergoeding omdat de boetevermindering de overschrijding compenseert. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €1.518 en het betaalde griffierecht van €47 wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers op 15 februari 2022 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.