Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
“immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders(s)”.De tenlastelegging impliceert dat verdachte wordt verweten dat zij medeplichtig is aan haar eigen handelen. Dit kan niet juist zijn. De geldigheid van de dagvaarding wordt daarom betwist.
“verdachte”te worden gelezen het woord
“ [naam 1] ”.
“verdachte”is gebezigd in plaats van het woord
“ [naam 1] ”wordt door de rechtbank opgevat als een kennelijke verschrijving. De dagvaarding voldoet verder ook aan alle van de in artikel 261 Sv Pro gestelde eisen. De dagvaarding is geldig.
(vgl. Hoge Raad 30 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0811).De verdenking betreft het medeplegen van witwassen, zonder een gronddelict, dat zowel in Nederland (in artikel 420bis) als in Bosnië en Herzegovina (in artikel 209) bij wet strafbaar is gesteld. De dubbele strafbaarheid is daarmee aangetoond. De rechtbank heeft vervolgens op basis van artikel 7, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afgeleid dat er rechtsmacht is. Deze wettelijke bepaling schrijft namelijk voor dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op een Nederlander, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit, dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het feit begaan is, een straf is gesteld. Hiervan is in onderhavig geval sprake.
4.De beoordeling van het bewijs
(hierna: Sv)vermeld rechtsgevolg. De verdediging heeft in dit kader betoogd dat het Openbaar Ministerie gebruik gemaakt heeft van belastend bewijs dat afkomstig is van een [notaris] , terwijl die notaris zowel tuchtrechtelijk als strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De informatie die het Openbaar Ministerie bij deze notaris heeft ingewonnen en daarna gebruikt heeft voor het procesdossier, de inzet van BOB-middelen en rechtshulpverzoeken, is daarmee onrechtmatig aangewend.
(vgl. EHRM d.d. 18 juni 2010, nr. 13201/05, Krumpholz/Oostenrijk en EHRM d.d. 8 februari 1996, nr. 18731/91 Murray/Verenigd Koninkrijk). Op de tweede plaats is betoogd dat er jegens verdachte geen enkel vermoeden van witwassen bestaat. De verdenkingen gaan over haar echtgenoot en ten aanzien van haar zelf komen geen verdachte omstandigheden naar voren. Op de derde plaats heeft de officier van justitie onvoldoende onderzoek verricht naar de stukken die zijn overgelegd en de verklaringen die [medeverdachte] heeft gegeven. Verdachte dient daarom integraal te worden vrijgesproken van feit 1. Met betrekking tot feit 2 is niet te achterhalen waar verdachte naar gekeken heeft, of de biljetten echt of vals zijn, welke valuta het betreft, en of het beweerdelijk bedrag van € 80.000,- of € 150.000,- een reële schatting betreft. Om die reden dient ook voor feit 2 vrijspraak te volgen. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen of de medeplichtigheid. Tot slot heeft de verdediging betoogd, indien de rechtbank het eenvoudig witwassen bewezen verklaart (artikel 420bis1 en 420quater.1 van het Wetboek van Strafrecht), geldt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wegens toepassing van de kwalificatie-uitsluitingsgrond.
“afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Het is voor een veroordeling wel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
‘afkomstig uit eigen misdrijf’niet bewijsbaar is. Bij de afwezigheid van een door verdachte zelf begaan misdrijf is een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond ook niet aan de orde.
(stap I). Van de verdachte mag worden verlangd dat zij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap II). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap IV). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap V).
“the Financial Intelligence Unit”van de Bosnische politie in 2013 [getuige 1] , [naam 3] en [medeverdachte] heeft aangemerkt als personen die voorkomen in de database met verdachte transacties.
- [rekeningnummer 2] (ten name van [verdachte] en [medeverdachte] );
- [rekeningnummer 3] (ten name van [bedrijf 4] );
Op [rekeningnummer 1] is de storting in totaal € 126.890,61,-.
Op [rekeningnummer 2] is de storting in totaal € 374.975,-.
Op [rekeningnummer 3] is de storting in totaal € 57.810,-
(de rechtbank begrijpt: zij tweeën)de bedrijven hebben ingeschreven. Verdachte heeft daarnaast bij de politie verklaard dat zij alles gezamenlijk doen omdat zij getrouwd zijn. De [medeverdachte] heeft deze gezamenlijke verantwoordelijkheid ook bevestigd in zijn politieverhoor. Volgens verdachte is het wel zo dat de medeverdachte normaliter alles regelt met betrekking tot de financiële gang van zaken en alleen als het nodig is zij paraat staat. De verklaringen van de verdachten worden ondersteund, nu uit de BOB-stukken naar voren komt dat hun beide achternamen worden gebruikt bij de vier rekeninggegevens. Voorts blijkt dat voor drie van de hiervoor vermelde rekeningen ook telkens twee betaalpassen zijn afgegeven.
“als ik dat heb gedaan, dan zal ik dat wel gedaan hebben”. Op vragen van de officier van justitie ter zitting heeft verdachte een beroep gedaan op haar verschoningsrecht.
‘eigen misdrijf’niet bewijsbaar is. Bij de afwezigheid van een door verdachte zelf begaan misdrijf is een beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde.
‘een voorzichtige schatting’is gemaakt, waarbij met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het daadwerkelijke bedrag meer is dan € 150.000,-.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
feit 1 primair: het medeplegen van gewoontewitwassen;
feit 2: het medeplegen van witwassen;
een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de Penitentiaire Inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering;
Beslag
* onroerend registergoed [adres 5] te Breda (F1120);
* papieren bescheiden (kenmerk 546145);
* nepwapen (kenmerk 546160);* kentekenplaten (kenmerk 546168);* kentekenplaten (kenmerk 546169);* certificaten Rolex (kenmerk 546170).