ECLI:NL:RBZWB:2022:7521

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
22-001276
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 36b SrArt. 552f SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen beslaglegging op voertuig met verborgen ruimte voor drugs

Klaagster verzocht de opheffing van het beslag op haar voertuig, dat op 8 januari 2022 in beslag werd genomen nadat haar man, de bestuurder, werd verdacht van betrokkenheid bij strafbare feiten. Het voertuig bevatte een professionele verborgen ruimte waarin drugs en geld werden aangetroffen.

De officier van justitie stelde dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later onttrekking aan het verkeer zal bevelen. Klaagster voerde aan dat zij rechthebbende is en niet betrokken bij strafbare feiten, en dat het criterium voor teruggave is of zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank oordeelde dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt, mede gelet op de verborgen ruimte en de aangetroffen drugs. De vraag of klaagster als rechthebbende kan worden aangemerkt behoeft daarom geen beantwoording. Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op het voertuig wordt ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: /
rk.nummer: 22-001276
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. I. Azarkan, Burgemeester Prinsensingel 89 E te 4701 HL Roosendaal
hierna te noemen: klaagster.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 8 januari 2022 onder [klaagster] ( [geboortedag] -1991) in beslag is genomen: een personenauto van het merk Renault, type Captur, kleur zwart en voorzien van [kenteken] ;
  • het klaagschrift ingevolge artikel 552a Sv, ingediend op 19 januari 2022 ter griffie van deze rechtbank
  • het verweerschrift van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 10 mei 2022. Gehoord zijn de officier van justitie mr. K. Pieters en mr. I. Azarkan als gemachtigd raadsman van klaagster.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat het voertuig van klaagster op 9 januari jl. (de rechtbank begrijpt: 8 januari jl.) onder een derde in beslag is genomen. Namens klaagster is de officier van justitie verzocht het beslag op te heffen, waarna de officier van justitie heeft laten weten hiertoe niet over te gaan. De officier van justitie heeft besloten het voertuig te vervreemden. Klaagster stelt zich op het standpunt dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet, nu klaagster voldoende kan aantonen dat zij rechthebbende is en niet betrokken is geweest bij het plegen van strafbare feiten.
In raadkamer heeft de advocaat in aanvulling op het klaagschrift en in reactie op het standpunt van de officier van justitie aangevoerd dat het criterium niet is of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, maar of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Dit laatste is het geval. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Hoge Raad van 15 februari 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AS1803) en van 18 december 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB8869). Niet klaagster maar haar man wordt verdacht van een strafbaar feit. Voorafgaand aan de zitting is voorts een factuur verstrekt waaruit blijkt dat klaagster het voertuig op 18 februari 2021 heeft gekocht voor een bedrag van afgerond € 23.000.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Daartoe is aangevoerd dat in het voertuig waarin verdachte reed een verborgen ruimte zat. In de verborgen ruimte zijn drugs en geld aangetroffen. Verdachte wordt verdacht van witwassen en het onderzoek loopt nog. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het, gelet op het voorgaande, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
In raadkamer heeft de officier van justitie de motivatie die ten grondslag ligt aan het eerder ingenomen standpunt gewijzigd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer (in plaats van de verbeurdverklaring) van het voertuig zal bevelen. In reactie op de raadsman is gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 11 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY4870), waaruit blijkt dat eerst getoetst dient te worden of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave. Het voertuig staat op naam van klaagster, maar werd voorafgaand aan de inbeslagneming bestuurd door de man van klaagster. Het voertuig was uitgerust met een professionele verborgen ruimte. Er zijn ook daadwerkelijk verdovende middelen in het voertuig aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke professionele verborgen ruimtes alleen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Het is in strijd met het algemeen belang dat dergelijke voertuigen zich op de openbare weg bevinden. Gelet op het voorgaande wordt niet toegekomen aan de vraag of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Verzocht wordt dan ook het klaagschrift ongegrond te verklaren. De officier van justitie heeft opgemerkt dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen in de reactie van het Openbaar Ministerie is opgenomen en voor zover hij weet, nog niet als verdachte van witwassen is aangemerkt.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van het voertuig verzet. Zij stelt hiertoe vast dat het voertuig feitelijk onder [verdachte] , zijnde de man van klaagster, in beslag is genomen, nu hij als enige inzittende op 8 januari 2022 het voertuig heeft bestuurd. Uit de stukken blijkt dat in het voertuig een professionele verborgen ruimte is aangetroffen met daarin verdovende middelen en een hoeveelheid geld. Voorts is de dag voor de inbeslagneming de broer van [verdachte] aangehouden en is in het voertuig dat zijn broer onder zich had ook een professionele verborgen ruimte aangetroffen. Deze verborgen ruimte had eenzelfde werking had als de professionele verborgen ruimte die in het voertuig waarin [verdachte] reed is aangetroffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voertuig zal bevelen.
De rechtbank constateert dat de vraag of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en of zij, indien dit het geval is, bekend was met het gebruik of de bestemming van het voertuig in verband met een strafbaar feit dan wel dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, in het licht van het voorgaande geen verdere beantwoording behoeft.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 27 mei 2022 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2022.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).